PIETER MARITS

Download dit verhaal in Word

Samenvatting: Wouter van den Berg

Hoofdstuk 1: In het moordhol van Makapanspoort.

Op een namiddag in januari 1878 trok een ruiter, naast wiens paard een jongen van ongeveer veertien jaar voortstapte, door het dal van de rivier de Vaal in Transvaal, Zuid-Afrika. Langzaam ging de kleine stoet voorwaarts, ze hadden al een vermoeiende lange tocht achter de rug. De ruiter had een kolossale gestalte, met brede borst en schouders, over zijn éne schouder droeg hij een brede leren riem met patronen, over de andere een buks. Evenals de ruiter was ook het paard gewend aan de jacht en de oorlog, het was een fraai en sterk dier.

De linkerhand van de ruiter hing roerloos aan zijn zijde en was met een door bloed rood gekleurd windsel omwonden, ook op de borst was de ruiter in de strijd gewond geraakt. Op deze bloedvlekken richtten zich de bezorgde blikken van de jongen, hij liep dicht tegen het paard aan om zijn vader in het zadel te houden. Het was een krachtige jongen die veel op zijn vader leek. Hij had, net als zijn vader, een gordel om, waarin hij een jachtmes droeg. "We zullen zo niet lang meer kunnen voortgaan mijn jongen" zei de vader. "En wie weet of de zwarte duivels ons toch nog niet inhalen, als ze onze sporen ontdekken. Ik weet in de buurt een schuilplaats waar we ons kunnen verbergen, het is voor jou Pieter, want ik voel dat het met me ten einde loopt".

De ruiter stuurde zijn paard een grot in, het was er vochtig en koud. Er waren verschillende ruimtes en gangen, het leek of de jongen zich in een onderaards paleis bevond. Pieter ontdekte een menigte voorwerpen die de bodem bedekten. Het waren verbleekte beenderen. Een met ledige oogholten naar omhoog starende mensenschedel en witte beenderen van armen en benen. Pieter hielp zijn vader van het paard en gaf hem te drinken. "Hier zijn we veilig voor vervolging, geen kaffer waagt zich hier, want ze zijn bevreesd voor de doden" fluisterde de gewonde. "Een verschrikkelijke strijd woedde hier. Ik was daarbij. Hier hadden duizenden zwarten zich verschanst, om zich tegen ons te verdedigen, maar we hoopten hout en struiken voor de ingangen en staken die in brand, zodat zij allen stikten. Laat me nog wat drinken" sprak de vader, "Ik vrees dat de pijl die mij getroffen heeft, vergiftigd was."

Toen Pieter, na het water halen, bij zijn vader terugkwam, sprak deze " Het loopt snel ten einde, groet je moeder, broertjes en zusjes, want ik zal ze niet weerzien. Wees een brave jongen en heb je vaderland lief, Pieter Marits." Na van uitputting enkele ogenblikken gezwegen te hebben, vervolgde hij: "We hebben slechts één vijand, namelijk Engeland. Hadden die trouweloze Engelsen de kaffers niet aangemoedigd, dan hadden ze zich nooit tegen ons durven verzetten. Het zijn de Engelsen die je vader gedood hebben, Pieter Marits, vergeet dat niet." "Ik zal het niet vergeten", antwoordde Pieter zacht, en zijn vader stierf.

Zo bleef Pieter alleen achter samen met zijn paard, oude jager. Hij nam de zware buks van zijn vader en ging op pad door het donkere bijna onbegaanbare oerwoud. Na een lange reis sloot Pieter zich aan bij de gemeente der boeren, waartoe hij behoorde.


Hoofdstuk 2: De gezanten van de koning der Zoeloes.


Pieter had de hele nacht geslapen in de huifkar van zijn moeder toen hij gewekt werd door een verward geluid en dreigende woorden. Pieter ging naar buiten om te kijken wat er aan de hand was. Een groepje Boeren had twee zwarte vreemdelingen gevangen genomen, ze waren ontdekt in de nabijheid van de wagen van de zendeling. De oudste van de Boeren, Van der Goot genaamd, zei na enige ogenblikken van beraad: "Deze beide schelmen zijn in geen geval met goede bedoelingen hier gekomen en daar zij onze taal niet spreken, is het wel het eenvoudigst, dat wij ze doodschieten." Hij keek bij deze woorden zijn buren vragend aan. Deze knikten met het hoofd en hiermede scheen het vonnis geveld. Twee der Boeren wierpen hun buksen over de schouder en gaven de bedienden een wenk om de gevangenen weg te voeren naar het vrije veld.

Toen de beide zwarten hun bedoelingen in de gaten kregen, schudden zij zich los en spraken enkele woorden in het Engels tot den oude Boer. Ze bleken gezanten van de koning der Zoeloes te zijn. Hoewel ze zeer gebrekkig Engels spraken, waren ze toch verstaanbaar en het woord Zoeloe deed velen sidderen. Het waren de Engelsen die de Zoeloes hadden opgestookt om oorlog te voeren tegen de Boeren. Pieter was geschrokken van hetgeen de Boeren van plan waren en had inmiddels de Duitse zendeling gehaald, deze riep met luide stem: "Houdt op, houdt op, vergiet geen bloed van onschuldige lieden! Ik verzoek U, laat deze lieden in vrede heengaan. Ze zijn gezanten van Cetschwayo, de machtige koning der zoeloes en komen met vreedzame bedoelingen."

De zendeling vertelde dat hij de beide Zoeloes zou meenemen op zijn zendingsreis en hen terug zou brengen naar het land van Koning Cetschwayo. Toen keerde de zendeling zich om en liep door de twee geredde Zoeloes vergezeld, naar zijn wagen.

'Pieter Maritz, je wordt al een grote jongen' zei Boer Van der Goot. 'Je vader was één onzer beste mannen en je moeder is een vrome vrouw. Je zult niet uit het soort vallen, hoop ik.' Pieter bloosde en keek vol verwachting. "Die Zoeloes bevallen mij niet," ging de Boer voort. "Ik wil zeker weten dat ze niet terugkomen om ons te bespioneren. Ik wil graag dat je de zendeling en de twee Zoeloes op hun reis vergezeld. Merk je dat er iets niet in de haak is, dan schiet je hen neer. Begrijp je me?" Pieter 's hart zwol van trots en antwoordde: "Jawel, Baas."

De zendeling was inmiddels druk in de weer om de ossen voor zijn wagen te spannen, hij wilde de koning Cetschwayo bezoeken en hem vertellen over het geloof. "Ik bekommer mij niet om oorlog en twist," zie de zendeling tegen de Zoeloes Humbati en Molihabantschi. "Ik ben een leraar der blijde boodschap, die alle mensen vrede verkondigt." Humbati antwoordde: "Cetschwayo is zeer sterk, hij is de machtige olifant, de koning der koningen, de koning des hemels. Hij zal U zeer dankbaar zijn wanneer hij verneemt wat U voor ons gedaan heeft."

Zo gingen Pieter Marits, de zendeling en de beide Zoeloes op weg. Spoedig lag het kamp der Boeren achter hen en voor hen een uitgestrekt land vol schoonheid, maar ook vol gevaren.


Hoofdstuk 3: Op reis


Het land dat de reizigers doortrokken, was zeer vlak. Je kon de meest verwijderde voorwerpen met grote duidelijkheid onderscheiden. Met moeite sleepten de ossen de wagen een berg op en onder veel geschreeuw der zwarten en krachtig tegenhouden der trekdieren, ging het aan de andere kant bergaf. 's Avonds werd er een groot kampvuur gemaakt en konden mens en dier uitrusten van een lange tocht.

De zendeling vertelde over hoe de Hollanders, in 1652, bij de Kaap de Goede Hoop een kolonie stichtten en er een kleine vesting bouwden. Ook een groot aantal Duitsers en Fransen vestigden zich hier, samen noemden ze zich De Boeren. Nu bijna negen maanden geleden, op 12 april 1877, hebben de Engelsen de macht in Pretoria, de hoofdstad van Transvaal, overgenomen. De Boeren trokken steeds verder Noordwaarts om niet onder de Engelse heerschappij te hoeven leven.

Nadat er nog wat hout op het vuur was gegooid, om de wilde dieren op een afstand te houden, kon iedereen een slaapplaats gaan zoeken. Terwijl iedereen lag te slapen, ging eensklaps uit de kudde een angstig geloei op en onmiddellijk daarop klonk een verschrikkelijk gebrul. Alle ossen sprongen op en stoven uit elkaar; de paarden die aan de wagens waren gebonden, steigerden en trokken zo hevig aan de touwen, dat de zware wagens in beweging kwamen. Ook de Zoeloes waren overeind gesprongen en stonden met hun speren in de hand. Pieter Marits had zijn geweer klaar om te schieten, terwijl de zendeling het terrein met zijn lantaarn verlichtte om te zien vanwaar het gevaar dreigde.

Het licht van de lantaarn viel op een opening in het struikgewas, waar nauwelijks dertig passen van de mannen verwijderd, twee leeuwen stonden. De dieren stonden rechtop en onbeweeglijk naast elkander, waarschijnlijk geheel verblind door het felle licht van de lantaarn. Pieter Marits legde onmiddellijk zijn buks op één der roofdieren aan. Een vlam flitste uit de loop van het geweer en dodelijk getroffen stortte de grootste der beide leeuwen neer. Maar voor Pieter een tweede schot kon lossen, sprong de tweede leeuw naar voren. Pieter waande zich reeds verloren, doch plots doken twee donkere gestalten voor het roofdier op en twee speren doorboorden het hart van de aanstormende leeuw. Humbati en Molihabantschi hadden de leeuw gedood en Pieter Marits het leven gered.

Toen de morgen aanbrak moesten de knechten eerst de ossen weer bij elkaar drijven en ze voor de wagen spannen. Van de trekossen werden er twee vermist, omdat het zoeken ernaar vergeefs bleef, moest worden aangenomen, dat de dieren door hyena's verscheurd waren.


Hoofdstuk 4: Heimlijke vlucht


Na het inspannen van de ossen, was de kleine stoet die morgen al vroeg weer vertrokken. De zendeling was in de wagen gaan zitten, om onder het dekkleed schaduw te vinden; de zwarte knechts hadden breedgerande vilten hoeden op het hoofd, maar Humbati en Molihabantschi liepen onbeschut in de hete zon. De mars had nu reeds meer dan drie uren geduurd en nog was er geen geschikte plek gevonden om halt te maken en te rusten. "Het gaat zo niet verder" zei de zendeling tot Pieter; "Wat zullen we doen? De dieren hebben water nodig, maar we vinden hier niets."

"Ginds zie ik een heuvel," zei Pieter, naar links wijzend. "Ik zal daar met de Zoeloes heengaan, om te zien of daar ook water te vinden is." De zendeling besloot zelf ook mee te gaan, zo gingen ze verder het dal in en na bijna een uur zoeken vonden ze tot hun grote vreugde water. Het was weliswaar een vijver, waarin het water stilstond en troebel was, maar ze waren tevreden. De zendeling besloot hier rust te nemen.

Terwijl ze de ossen uitspanden vertoonden zich aan hun ogen een wonderschoon beeld. Ze zagen voor zich een meer met een heldere, schitterende waterspiegel, omlijst door bomen, welke door de wind werden heen- en weer bewogen. Met verbazing aanschouwden ze dit tafereel, dat een paradijs voor hun brandende ogen toverden. Daar verscheen een lange trein van mensen en dieren aan het strand. Ruiters met fladderende mantels en lange speren vertoonden zich aan hun ogen; boven hun hoofden wapperden vaandels en schitterden hun wapens. Maar langzamerhand, toen de ruiters naderden, groeiden de voorste ruiters tot reuzen aan. De punten van hun lansen reikten tot aan de hemel en hun paarden werden groter dan olifanten. Nog verder gaande werden de figuren aan het meer bleker en bleker, De heerlijke lichtglans, die het land bestraalde, ging over in een geelachtige, doorzichtige nevel en uiteindelijk was alles verdwenen en bevonden ze zich in een gloeiende, gele zandwoestijn. De wagen en ossen stonden nog vlak voor hen. Er had zich, zoals de zendeling hen vertelde, een luchtspiegeling aan hun ogen voorgedaan, een fata morgana, die soms ontstaat als de hitte der zonnestralen door de vlakke bodem worden teruggekaatst.

Opeens bemerkte Pieter Marits, dat Humbati en Molihabantschi verdwenen waren. "Waar zijn de Zoeloes!" riep hij gejaagd uit. Niemand wist het. De zendeling veronderstelde, dat ze ergens een veilige schuilplaats gevonden zouden hebben. Pieter zei verder niets, maar hij begreep, dat de Zoeloes waren gevlucht. Uitrijden om hen te achtervolgen was helaas onmogelijk.

Intussen hadden de zwarte knechts het linnen dak weer over de wagen gespannen en begaven de zendeling en zijn metgezellen zich ter ruste, nadat Pieter op eigen verzoek de wacht betrok. De gehele nacht bleef hij, onophoudelijk rondspiedend en de buks schietklaar, op wacht staan. Maar slechts de geluiden van wilde dieren en het gebrul der leeuwen verstoorden de doodse stilte. Pieter hield niet op zichzelf te verwijten, dat hij de opdracht van Boer Van der Goot, zo slecht ten uitvoer had gebracht.


Hoofdstuk 5: Het Zendingsstation Botschabelo


"Waar tob je over, jonge man?" vroeg de volgende morgen de zendeling aan Pieter, zodra zij elkaar begroet hadden. Pieter vermeed de blik van de vriendelijke, oude man. "Kom, je bent niet dezelfde Boerenzoon van de vorige dagen. Waarom geef je mij geen antwoord." vroeg de zendeling. "Begin je misschien heimwee te krijgen naar je moeder, broertje en zusjes? Als dat zo is, ga dan terug." Pieter Marits beet zich op de lippen. "Ik keer niet terug," bromde hij. "Ik begrijp het." sprak de zendeling. "Je maakt je ongerust om de verdwijning van de Zoeloes." Nu keek Pieter Marits de grijsaard in de ogen en zei: "Ja, ik was door baas Van der Goot belast met de bewaking van de Zoeloes en nu ze weg zijn, kan ik nooit meer terugkeren." Vergeefs probeerde de zendeling Pieter op andere gedachten te brengen, maar Pieter bleef bij zijn voornemen.

Na deze woorden wendde de zendeling zich tot zijn knechten, die met de eerste weggelopen ossen kwamen aanlopen. De ossen waren zeer wild en onhandelbaar geworden. Gedurende de nacht waren ze door wilde dieren overvallen en twee van hen waren nergens meer te vinden. Van twee anderen lagen de overblijfselen in het zand. Na het inspannen van de ossen, liet de zendeling de richting van de vorige dag weer inslaan, en Pieter, die vroeger achteraan had gereden, ging nu met zijn paard Oude Jager, vooraan rijden, voor de wagentrein uit.

Tegen de avond naderde de trein een grote hoeve, waar ze besloten te overnachten. Ze sliepen die nacht heerlijk, in echte bedden. Vóór ze de volgende morgen verder trokken, liet de gastvrije Boer, na een rijkelijk ontbijt, nog zijn bezittingen zien en vertelde hij met trots over zijn struisvogelteelt. Nog drie dagen duurde het voor Pieter de hoge toren van de kerk van Botschabelo kon zien. Er heerste grote vreugde, toen de grijze zendeling het dorp binnen reed. Botschabelo is het grootste zendingsstation in Zuid Afrika, het was jaren geleden dat de zendeling hier voor het laatst geweest was.

Bij de avondmaaltijd moest hij vertellen hoe het hem al die jaren was vergaan, en werd besproken waar hij nu het best naar toe kon gaan om te vertellen over het geloof. Een jongere broeder was pas uit Natal teruggekomen en vertelde, dat de politieke toestanden tussen de Engelsen, de Boeren en de Zoeloes zeer gespannen waren. In het Oosten, in de Drakenbergen, wonen een paar gevaarlijke rovers, die een grote bende gevormd hebben.

"Wat zijn dat voor rovers en tot welke stam behoren zij?" vroeg de zendeling nieuwsgierig. "De oudste heet Titus de Afrikaan, de jongste wordt Vleermuis genoemd." antwoordde de jongere broeder. "Ze verbergen zich in de holen en kloven der Drakenbergen en ondernemen van daaruit hun rooftochten. Ze zijn de schrik van een uitgestrekt gebied. Meermalen zijn commando's tegen hen afgezonden, de regering van Transvaal heeft een prijs op hun hoofd gezet, maar het is nog niemand gelukt de rovers te vangen." De grijze zendeling had aandachtig geluisterd en besloot om een zendingsreis te maken naar deze twee roverhoofdmannen.

"Ik mag toch met U mee, als U naar Titus en Vleermuis vertrekt?" vroeg Pieter. De Zendeling vertelde dat de tocht erg gevaarlijk zou zijn en dat hij er eerst nog een nacht rustig over moest nadenken. "Ga nu slapen Pieter, Goede nacht."


Hoofdstuk 6: Lord Adolphus Fitzherbert


De Zendeling had besloten over vier dagen te vertrekken en Pieter had zich voorgenomen, wanneer de zendeling hem niet zou vragen mee te gaan, gewoon bij de stoet aan te sluiten. Het gehele gezelschap der broeders van Botschabelo was de avond vóór het vertrek bij de avondmaaltijd bijeen, toen er van buiten een ongewoon leven werd gehoord. Een geschreeuw en gejuich drong door tot in de eetzaal en verscheidene zwarte bedienden kwamen binnenstormen en vertelde in grote opgewondenheid, dat vreemde krijgslieden de berg opkwamen.

Een ruiterstoet kwam de bergweg oprijden, een stoet, zoals Pieter nog nooit had gezien. De ruiters hadden rode jassen aan en droegen hoge glimmende laarzen. Ze reden op mooie, grote paarden, Pieter telde er wel vierentwintig. De nog jonge aanvoerder hield zijn ros in en vroeg in het Engels aan Pieter Marits, die net naast hem stond, wie het hoofd van het dorp was. Pieter verstond deze taal zeer goed, maar de vraag werd op zo'n hoogmoedige toon gesteld, dat Pieter zich afvroeg waarom deze jongeman toch zo eigenaardig door zijn neus sprak.

"Kan die boerenpummel niet antwoorden, of wil hij niet?" riep de Engelsman. Pieter werd rood van kwaadheid. "Laat de knaap tenminste zijn hoed afnemen!" riep de Engelsman opnieuw. Gelukkig kwam op dat moment de baas van het dorp tussenbeide, de jonge officier vertelde dat hij Lord Adolphus Fitzherbert was, commandant van een patrouille van de Koningin van Engeland. "Ik heb een kleine verkenningstocht door deze streek gemaakt" vertelde de jonge officier. "Ik heb vernomen dat Titus de Afrikaan en Vleermuis het land onveilig maken. Het zou een goed voorbeeld zijn, als wij die twee rovers eens konden opknopen."

De luitenant kreeg Pieter in het oog en riep plotseling:" Die jonge ongemanierde Boer kan ons mooi van dienst zijn als gids. Ongetwijfeld kent hij deze streek nauwkeurig. Kom eens hier jij, we willen langs de beste weg naar Pretoria." Pieter Marits reed dichter naar hem toe, keek de Engelsman trots in het gelaat en zei: "Al kende ik de weg nog zo goed, ik zou je hem toch niet wijzen! Oho!" riep de officier. "Dat klinkt als ongehoorzaamheid. Ik geef je bevel ons de weg te wijzen". Maar Pieter dacht er niet aan de Engelsman te gehoorzamen, hij dacht terug aan de laatste woorden die zijn vader tot hem gesproken had. "Het zijn de Engelsen die je vader gedood hebben, Pieter Marits, vergeet dat niet."

Toen bedacht Pieter dat hij als gids, de Engelse misschien een poets kon bakken. Hij reed op de officier toe, nam beleeft zijn hoed af en zei: "Ik ben maar een arme boeren zoon, ik zal U, met mijn paard Jager, begeleiden op weg naar Pretoria. Ik verzoek U niet te hard te rijden want mijn paard heeft de laatste tijd zeer grote afstanden moeten afleggen."

De officier lachte. "Als je alleen daar bang voor bent geweest, stel je dan maar gerust mijn jongen." zei hij. "We zullen je je paard niet afnemen, het ziet er trouwens lang niet gek uit." Zo vertrok Pieter samen met de Engelse militairen naar Pretoria. Na een aantal kilometer gereden te hebben, begon Pieter tegen de officier aan te praten. "Wat een mooi paard hebt U, mijnheer! Dat heeft U zeker meegebracht uit Engeland". De officier keek Pieter aan en antwoordde: "Ja jongen, het dier is erg snel, veel sneller dan de paarden waar jullie Boeren op rijden. Ik heb er 300 Engelse ponden voor betaald"

Pieter vertelde dat hij geen slechte koop had gedaan. "Kan het ook goed springen?" vroeg hij vervolgens. "Natuurlijk," zei de Engelsman. "Maar houd nu eens je mond. Je hebt af te wachten, tot ik je iets vraag! goed begrepen?" Nu had Pieter er genoeg van. Hij legde zijn buks en patronengordel gemakkelijker op de schouder en drukte de knieën zachtjes tegen Jagers lichaam. Het trouwe dier hief de kop op en spitste de oren. Pieter wendde zich met een vriendelijk lachje tot de Engelsman en zei ietwat spottend: "Ik wens U een goede reis, mijnheer de officier. Vaarwel!"

Na deze woorden gaf Pieter zijn paard de sporen en joeg het in gestrekte draf het veld in. "Vervloekte jongen, kom terug!" riep de Engelsman. "Houdt hem, mannen! Achter hem aan!" Pieter hoorde achter zijn rug een geweldig geraas, geschreeuw, gesnuif en gestamp. Hij keek over zijn schouder en zag de hele stoet achter zich aankomen. De officier reed voorop en schreeuwde tegen zijn mannen dat ze niet mochten schieten, hij wilde de jongen levend terug hebben. Pieter boog het bovenlichaam over Jagers hals en klakte met zijn tong. Als een wervelwind stoof het dier voorwaarts, richting een rivier. De rivier was meer dan honderd meter breed. Hij joeg zijn paard het water in en weldra verloor het de grond onder zijn voeten en moest het zwemmen. De officier, en vijf van zijn manschappen, volgden Pieter.

Pieter bereikte de overkant, toen zijn achtervolgers nog midden in het water waren. Hij bracht zijn paard in een lange galop en na een razende rit, hoorde Pieter nog maar weinig leven achter zich. Hij keek om en ontdekte dat alleen de officier nog achter hem reed, slechts een twintigtal meters van hem verwijderd. Pieter stuurde zijn paard een terrein in waar struiken groeide met scherpe doornen, die als vishaken waren gevormd. De struiken waren niet te dicht, voor een paard dat hier vandaan kwam. Jager ontweek de scherpe doornen dan ook nauwkeurig. Maar de Engelsman ging dit niet zo goed af. Toen Pieter omkeek moest hij lachen; hij zag een grote scheur in de wapenrok van de officier en de zijn mooie rode jas hing in flarden naast zijn paard. Bij de borst en de benen van het zwarte paard liep bloed en het zweet bedekte zijn lichaam. De Engelsman had de lippen samengeperst, zijn ogen fonkelde van woede en zijn gezicht leek nog roder dan zijn gescheurde jas. De Engelsman bleek echter een goed ruiter te zijn en liep steeds een beetje op Pieter in. De neus van zijn paard kon het achterwerk van Jager al bijna raken, de officier strekte zijn hand uit om Pieter te grijpen.

Toen zwenkte de jeugdige Boer zijn paard scherp naar rechts en ontweek zo de greep van de officier. Plotseling verrees uit het hoge gras een soort wal van struiken en stukken hout. Jager vertraagde zijn loop en sprong met een grote sprong op en over de wal. De officier schopte met volle kracht de sporen in de zijden van zijn paard. Het dier was echter te veel uitgeput en sloeg met de achterpoten tegen de wal, Lord Fitzherbert vloog uit het zadel en bleef roerloos op de grond liggen.


Hoofdstuk 7: Titus de Afrikaan


Pieter hoorde het geluid van de val en hield dadelijk zijn paard in. Lord Fitzherbert lag op zijn rug, de helm was van het hoofd gevallen, zijn voorhoofd was met bloed bedekt. Vol medelijden boog de jongen zich over de bewusteloze officier. Pieter tilde de officier iets op en wiste met zijn zakdoek het bloed van het voorhoofd af, een lange schram liep van het rechteroog tot aan de schedel. Hij legde de gewonde weer neer en besloot water te gaan zoeken.

Op hetzelfde ogenblik weerklonk een wild geschreeuw en gehuil dat zich van alle kanten verhief en tegelijk voelde Pieter Marits zich door sterke vuisten gegrepen en zag hij een menigte donkere gestalten voor zich oprijzen. Geschrokken keek Pieter in het rond. Wel veertig zwarten omsingelden hem en de op de grond liggende officier. Eén van hen hield Jager in bedwang, een ander ontnam Pieter zijn buks en patroongordel. De zwarten waren allen gewapend, de meeste met boog en peilen, strijdbijlen, werpspiezen en lange schilden. Een enkeling droeg een geweer. Na het plunderen van de officier, werd deze op een draagbaar gelegd en samen met Pieter weggevoerd.

Ze liepen tot de zon bijna onder was eer de stoet een plaats met ronde hutten bereikten. Een zwarte gestalte, de aanvoerder van deze bende, kwam nu op hen toe lopen en nodigde hen uit om uit te rusten bij het vuur. Ze sliepen die nacht temidden van honderden zwarte krijgers. De toestand van de Engelsman was in de loop van de nacht zover verbeterd, dat hij de volgende morgen alweer rond kon lopen. Lord Fitzherbert leunde op de schouder van Pieter Marits en liep vertrouwelijk met hem rond door het kleine dorp. Zijn gedrag tegen de Boerenjongen was geheel veranderd, behalve Pieter was hij de enigste blanke in het dorp. "Pieter, wat zouden die zwarte kerels met ons gaan doen? Is het gebruikelijk bij dit volk om gevangen vijanden te braden en op te eten?" vroeg de officier enigszins ongerust. "Dat denk ik niet," zei Pieter. "Ik geloof, dat we in handen van Titus de Afrikaan en Vleermuis zijn gevallen. Dit is de streek, die door hen wordt bewoond, dit moet het drakengebergte zijn."

Toen werden ze meegenomen omhoog de berg op, ze kwamen terecht bij een grote grot, die binnen verlicht werd door een vel brandend vuur en door in de rotswand gestoken fakkels. Ze naderden een aantal mannen, die zwijgend op de hurken zaten. Pieter zag wel dat het krijgers van verschillende stammen waren. Ze droegen allen fraaie mantels van dierenvellen en waren versierd met hals- en armbanden. De voornaamste van hen was een oude forse man. Toen de gevangenen werden voorgeleid, stond hij op en zei: "Bereid je voor op de dood, want je bent in de macht van Titus de Afrikaan."


Hoofdstuk 8: Onder de rovers


Toen de gevangenen deze bedreiging hoorden uitspreken door een rover wiens naam slechts met schrik werd genoemd, richten zij het hoofd fier omhoog en keken de toornige Titus in de fonkelende donkere ogen. Titus lette nauwkeurig op de indruk, die zijn woorden hadden gemaakt. Toen hij de onverschrokken gezichten van Pieter en de Engelsman zag, riep hij woedend: " Breng hen weg, en bewaak hen goed! Morgen zal ik het vonnis vellen."

De zwarten die hen omringden, brachten hen naar een ander gedeelte van de grote roversgrot, hier kregen ze iets te eten. Pieter en de Engelsman stonden zwijgend naast elkaar en dachten met treurige gevoelens over hun noodlot na.

"Laat ons bidden," zei Pieter. "Laat ons God vragen ons te helpen." Na deze woorden knielde hij en bad het "Onze Vader" met zulk een plechtig vertrouwen, dat het diepe indruk maakte op de Engelsman. Eerst glimlachte hij, maar spoedig werd hij ernstig en aanschouwde de jeugdige Boer met oprechte bewondering. Pieter legde zich na het gebed te ruste en spoedig verried zijn ademhaling, dat hij sliep.

Aan het hoofd van een troep zwarten, die die morgen naderden, liep Titus, met naast hem een minstens even fors gebouwde roverhoofdman. Deze droeg een muts van grijs apenvel en een mantel van leeuwenhuid.

Pieter Marits vermoedde dat dit Vleermuis moest zijn. "Jullie gaan sterven," begon Titus. "Maar eerst kunnen jullie getuigen zijn, hoe de Basuto-vorsten hun vijanden verslaan. Ha! De Boeren zijn in aantocht om hun vee terug te halen. Ze zullen onze bergen niet levend verlaten!"

Pieter z'n hart klopte hoorbaar, de Boeren kwamen hun gestolen vee terug halen. Misschien was dat zijn redding. Vroeger had hijzelf ook meegedaan aan zulke wraakacties, zijn eigen vader was immers tijdens zo'n gevecht omgekomen. Een groep van ongeveer 400 krijgers verzamelde zich voor Titus en Vleermuis, de meeste gewapend met speren en bogen, een enkeling met een geweer. Na een mars van ongeveer anderhalf uur bereikte de groep de rand van een helling, vanwaar men een goed uitzicht had op de beneden hen liggende vlakte. "Daar komen de Boeren," fluisterde Pieter tegen de Engelsman. "Kijk toch, hoe snel ze naderen, het zijn er minstens zestig". Titus had intussen de naderende vijand even goed herkend als de Boerenzoon. Zijn vuist omklemde het geweer, zijn hoofd was voorover gebogen en zijn blik leek op die van een roofdier.

Verscheidene Boeren stegen van hun paarden, met de buks in de hand, gereed om te schieten, gingen ze langzaam vooruit. Toen bleven de Boeren plotseling staan, ze moesten iets ontdekt hebben. Ademloos keek Pieter toe. Plotseling verhief zich een wild gehuil en uit het bos beneden hen rende een lange rij zwarte krijgers, de speren zwaaiend en met de schilden de borst beschermend. Vleermuis had de aanval ingezet.

De Boeren leken echter plotseling verdwenen te zijn. Het was alsof de aardbodem hen verslonden had. Het enigste wat je nog zag, vanachter bomen, struiken en rotsblokken, waren kleine rookwolkjes. De knal van vele schoten drong door naar omhoog. Onder de zwarten ontstond weldra verwarring. Zoveel rookwolkjes er opstegen, zoveel zwarte krijgslieden vielen neer. Zij, die in de buurt stonden, sloegen op de vlucht en deden zo de aanval mislukken.


Hoofdstuk 9: Morimo


Titus kon thans zijn strijdlust niet langer bedwingen. Hij gaf aan zijn krijgers, die net als hijzelf ook met een geweer gewapend waren, een wenk en sloop met hen vooruit. Ze kropen voort over het gras, bijna geheel op de buik liggend, met de knieën en de ellebogen zich vooruitschuivend, terwijl ze de kolven van de geweren in de handen hielden.

Op een teken van Titus de Afrikaan sprongen onmiddellijk vijf of zes zwarte gestalten in de hoogte, stonden een seconde rechtop en lagen in een oogwenk weer op de buik. Wel tien schoten knalden, maar geen enkel schot trof doel. Het bleek dat de Boeren reeds dichter genaderd waren. Titus en zijn mannen verloren hun geduld en in grote sprongen snelden ze hun vijand tegemoet. Nu kwamen ook de Boeren vanachter hun schuilplaatsen te voorschijn en de kogels vlogen de aanvallers tegemoet.

Thans werd de opmerkzaamheid van Pieter geheel in beslag genomen door Titus, die helemaal vooraan stond. Hij stond rechtop, op nog geen twintig meter afstand van een half verscholen Boer. Duidelijk zag Pieter de witte baard van de Boer, en zijn grote brede hoed. De Boer hield het geweer tegen de wang en mikte op de hoofdman. Titus stond onbeweeglijk stil. Ook hij had de buks aangelegd en gedurende een seconde leek zijn ontmoeting met de boer op een duel. Het schot van de blanke kwam het eerst en op het ogenblik, waarop het vuur uit zijn buks te voorschijn kwam, scheen de gestalte van de hoofdman kleiner te worden. Het was, alsof hij in de grond gezonken was. Maar de hoop van Pieter, dat hij getroffen was, werd niet vervuld. Zijn buks bleef in zijn armen in dezelfde stand en terwijl de Boer nog keek naar de uitwerking van zijn schot, ging het wapen van Titus af. Een kreet van schrik ontsnapte Pieter. De grijze Boer opende de armen en stortte dodelijk getroffen voorover. Dadelijk daarop waren alle gestalten verdwenen, de vlakte lag er weer in stille vrede, geen Boer liet zich meer zien. Terneergeslagen zagen Pieter en Lord Fitzherbert hoe de Boeren zich terugtrokken.

Titus en Vleermuis verzamelden hun krijgers bij de ingang van het dal en verzorgden hun gewonden. Veel waren dat er niet, de meeste getroffenen hadden een kogel in het hoofd of in het hart gekregen. Titus had 50 krijgslieden in de strijd verloren, onder de Boeren werden 3 doden geteld. Terwijl iedereen zat na te praten over hoe ze de Boeren verslagen hadden, naderde langs de rand van het woud een wagen die met een lange rij ossen bespannen was. Voor de lange stoet uit reed een man, die Pieter reeds van verre herkend had. Het was de oude zendeling! De roversbende was zo verbaasd hier in hun gebied een vreemde te zien, dat ze rustig afwachtte tot de oude man naderbij gekomen was. Eindelijk steeg de zendeling van zijn paard en liep met bedaarde schreden op Titus en Vleermuis toe. De zendeling had de gevangenen nog niet opgemerkt, hij bleef staan voor de beide roverhoofdmannen en zei: "De zegen Gods zij met U, o, vreemdelingen! Ik ben gekomen om in de naam van de Schepper te spreken met de grote krijgsoversten, die het volk Titus de Afrikaan en Vleermuis noemt."

Toen de zendeling zweeg, wendde Titus zich tot zijn broer en zei lachend: "Daar heb je nu één van de mannen, die de blanken zendelingen noemen. Nu de blanken ons niet met wapens kunnen verslaan, proberen ze ons te overtuigen van het bestaan van een vorst, die in de hemel woont en onzichtbaar zou zijn. Ik weet reeds wat dat betekent. We mogen geen blanke een haar krenken en al onze gevangenen moeten wij vrij laten. Maar ik zeg, leugenachtige grijskop, kijk naar de lijken van mijn stam! Wij weten wat je leer waard is. Je kunt Titus niets nieuws meer vertellen. Heb je mijn krijgers en mijn vrienden gedood, dan dood ik jou samen met je twee blanke vrienden. Je ossen zullen wij slachten en opeten."

Toen sprak de zendeling opnieuw, nu in de taal van de Betchuanen. "Mijn 24 ossen en mijn wagen vol met rijst, maïs en koffie, mag je van me afnemen. Ik ben gekomen om jullie te vertellen over de Onzichtbare in de hemel. Wat ik breng is oneindig veel mooier, dan alles wat u bezit." De zwarte krijgers waren zo verbaasd over de moed van de ongewapende grijze man, dat ze allen stil luisterden naar hetgeen hij vertelde.

"Luister niet naar deze leugenaar en verrader" riep Titus vol woede uit. "Hij komt om te spioneren voor de Boeren, zodat zij ons allen kunnen doden. Volgt mij, vrienden! Steek deze blanken neer en laat ons de ossen slachten." De hele stam juichte hem toe en vele speren werden opgeheven om de zendeling, Pieter en de Engelsman te doden. De blanken schenen verloren, toen Vleermuis plotseling met een gebaar van schrik naar het hoofd van de zendeling wees.

"Morimo!" schreeuwde hij waarschuwend, "Morimo!" De hele troep woedende en opgewonden krijgers aarzelde, en keek naar het hoofd van de zendeling. Sommige bleven versteend op hun plaats staan, terwijl anderen op de grond vielen en aanbiddend de handen ophieven.

"Morimo!" klonk het uit ieders mond. Op het grijze haar van de zendeling zat een kever van een bijzondere vorm, ongeveer een vinger lang, met een groene rug, rood en wit gevlekt. De kop en de vleugels waren geel, de poten zilvergrijs. Pieter herkende dit zeldzame beestje, de Zuid-Afrikaanse volken geloofden dat deze kever heilig was. De plaats waar deze kever zich neerzet is voor hen een gewijde plaats; de persoon, die de kever aanraakt wordt voor gelukzalig gehouden en zijn komst betekent geluk.

"We zijn gered!" riep Pieter Marits uit.


Hoofdstuk 10: De bekering


"Ik geloof niet dat het u ooit zal lukken Titus te bekeren." zei de Engelsman. "Hij is een wilde knaap en zal ons eerder met huid en haar opeten dan dat hij zich laat dopen." "Dat bewijst niets: het zijn juist de wildste die zich bekeren" antwoordde de zendeling. "Ik stel mij altijd voor dat ieder mens iets goeds in zich heeft, ook deze hoofdman." De volgende morgen nam Vleermuis de gevangenen mee naar zijn dorp, van hier bespiedde hij de gelegenheid tot rooftochten en had hij zicht op een eventueel naderende vijand. Zijn broer Titus, hield boven in het gebergte de andere zijde van het omringende land in de gaten.

De zendeling vertelde, 's avonds bij het kampvuur, verhalen over Jezus, de onzichtbare God. De zwarten luisterde aandachtig naar hem, maar waren ook erg brutaal en zeer geïnteresseerd in de potten en pannen die de zendeling bij zich had. Zulke mooie voorwerpen hadden zij nog nooit gezien. Soms verscheen Titus in volle wapenrusting en keek kwaad naar zijn krijgers, die luisterde naar de verhalen die de zendeling hen vertelde. Ja, als de zendeling was uitgesproken, nam het opperhoofd soms het woord, bespotte hem en braakte beledigingen uit. De zendeling trok zich hier weinig van aan, hij bemerkte dat het opperhoofd steeds terugkwam en dat hij aandachtig naar zijn verhalen luisterde. Vleermuis, die slechts aan rooftochten dacht, bemoeide zich niet met de zendeling.

Op zekere nacht hoorde Pieter een verdacht geluid buiten de hut waarin hij, samen met de zendeling en de Engelsman, sliep. Hij wekte zijn beide metgezellen en luisterde aandachtig naar hetgeen er buiten gebeurde. Spoedig daarop zagen ze twee gestalten naar binnen sluipen, waarvan één zich onmiddellijk wendde naar de plaats, waar de zendeling had liggen slapen en een geduchte houw met de strijdbijl naar het hoofdeinde deed. Het was niet licht genoeg om de personen de onderscheiden. Toen Pieter en de Engelsman dit zagen, wierpen zij zich onder luid geschreeuw op de beide zwarten. Eén der zwarten kreeg een messteek van de Engelsman, waarna zij beide vluchtte.

Toen Titus de volgende morgen hoorde wat er gebeurd was, stoof hij woedend op. Hij liet de beide lieden, waarvan de één zijn arm in een verband droeg, voor zich komen en sprak hen op heftige wijze toe. "Weten jullie niet, dat de blanken onder bescherming van je opperhoofd staat? Zijn jullie vergeten dat Morimo, de heilige kever, zich op het hoofd van de zendeling heeft vertoond? Wie de wapens opneemt tegen iemand die door Morimo is geheiligd, moet sterven." Verschrikt smeekten de boosdoeners om genade, maar het opperhoofd bleef onverbiddelijk en gaf bevel, dat ze op staande voet zouden worden gedood.

Toen de beide lieden werden weggevoerd om gedood te worden sprak de zendeling tot Titus: "Laat deze mannen leven. Hoe kunnen zij berouw krijgen over hun misdaad, indien gij hen doodt?" Verbaast keek de hoofdman hem aan en zei: "U smeekt om genade voor hen, die u wilde doden?" De zendeling zei: "Jezus, de onzichtbare God, verteld ons dat we ook onze vijanden moeten liefhebben" Titus was erg onder de indruk van deze woorden en riep: "Laat hen vrij"


Hoofdstuk 11: De reis naar het Zoeloeland


Humbati en Molihabantschi, de twee Zoeloes die Pieter Marits moest bewaken tijdens hun reis met de zendeling, waren van plan naar hun eigen volk terug te keren. Als dank voor het redden van hun leven, toen zij door de Boeren gevangen waren genomen, mochten Pieter, de Engelsman en de zendeling mee naar het Zoeloeland.

"Hier dichtbij, enige dagen rijden, woont onze hoofdman, de grote Cetschwayo. Hij zal U rijkelijk belonen voor uw goede zorgen, want hij is zeer rijk en machtig." vertelde Humbati.

De zendeling schrok enigszins van deze uitnodiging. Hij had genoeg over de Zoeloekoning gehoord, om te weten dat er geen man in Zuid-Afrika was meer te vrezen dan hij. Cetschwayo was berucht als een tiran, hij was een grootmoordenaar en in zijn land stroomde het bloed als water. Toen Pieter dit alles hoorde, kon hij nauwelijks wachten om op pad te gaan. Acht weken reeds hadden ze in het dorp van Titus en Vleermuis gevangen gezeten. Het vooruitzicht zijn paard Jager weer terug te zien, vervulde hem met grote vreugde. Pieter kreeg ook het uitstekende geweer terug dat zijn vader hem gegeven had. De Zwarten hadden het in goede toestand gehouden. Ook de gordel met patronen en de hartsvanger werden hem teruggegeven. Intussen waren twaalf Kaffers van de bende van Vleermuis aangetreden, zij zouden als bewaking meegaan. Zo gingen zij op pad, een lange en moeilijke reis tegemoet.

Na enkele dagen rijden kwamen ze bij een groot, door heuvels en bergen ingesloten, dal. Op de groene berghellingen ontdekten zij verschillende naast elkaar liggende donkere cirkels. Molihabantschi vertelde dat het militaire kralen (dorpen) waren, garnizoenen van het leger van koning Cetschwayo. Ze reden verder naar de vierde kraal. Reeds uit de verte was op het plein het schitteren van wapenen te bemerken. Bij het plein stonden wel 500 krijgers in volle wapenrusting, opgesteld in twee rijen, waartussen de vreemdelingen moesten doortrekken. De krijgers droegen allen hoge spitse schilden, die van hun kin tot de voeten reikten, zodat ze er het hele lichaam mee konden beschermen. Ook droegen ze speren met blinkende ijzeren punten en gekleurde veren op hun hoofd.

Toen de Pieter en zijn vrienden deze levende gang gepasseerd waren, kwamen ze op een grote open ruimte, waar ze vol verrassing in het rond keken. Zo ver ze konden zien zagen zij krijgers met schilden, speerpunten en oorlogsveren. Ze stonden verschillende rijen dik, onbeweeglijk en zwijgend naast elkaar. Naar schatting van de Engelsman waren het er minstens 10.000. Ze stonden verdeelt in groepen van 1000 man, iedere groep met zijn eigen kleuren.

Toen klonk een kort commando en sloot de gang waardoor ze gekomen waren. Daarna werd kenbaar gemaakt dat ze van hun paarden af moesten komen. Een luid gezang klonk nu op, de paarden begonnen angstig te steigeren. Alle krijgers zongen en stampten de maat met hun voeten. Opeens echter hield hun gezang op en trad een dodelijke stilte in. De blanken keken verwonderd in het rond en vroegen elkaar wat dit had te betekenen. Toen begonnen de rijen met krijgers tegenover hen uiteen te gaan, zodat er een opening in de kring ontstond.


Hoofdstuk 12: Cetschwayo, de koning der Zoeloes


De koning kwam door de opening naderbij, gevolgd door een aantal van zijn hofbedienden. Hij ging de vreemdelingen tegemoet en begroette hen hartelijk. Humbati en Molihabantschi hadden hun koning reeds ingelicht over de vreedzame bedoelingen van de zendeling. Pieter Marits bekeek de koning met belangstelling. Hij was zeer groot, wel een hoofd groter dan de slanke Engelse officier. Zijn hoofd was verbazend breed en dik, een dunne baard omgaf zijn mond en kin. Ook had hij spieren als bergen en droeg hij een lange staf, een soort scepter van ivoor met gouden ringen versierd.

Toen nodigde hij met een wenk de blanken uit om mee te gaan naar het midden van het dorp. Elk der blanken kreeg een afzonderlijke hut en twee hofbedienden stonden tot hun dienst. Terwijl zij 's avonds bij hun hutten zaten en hun toestand bespraken, naderde een stoet van bedienden. Ze droegen manden met vruchten en koren, schalen met melk en honing, gebraden ossevlees en gekookt vlees in potten.

De volgende morgen verscheen onaangediend de koning zelf. Hij werd begeleid door Humbati en Molihabantschi. "Dit zijn grote mannen, Humbati is mijn rechterhand." sprak de koning. "Toen ik deze beiden wegzond om het land van de blanke te verkennen, zond ik mijn ogen, mijn oren en mijn mond. Wat zij zagen, zag ik; wat zij hoorden, hoorde ik; wat zij spraken, sprak Cetschwayo. Gij hebt hen te eten gegeven, toen ze hongerig waren, gij hebt hen gekleed, toen het regende, en toen ze gedood zouden worden, hebt gij hen met uw schilt gedekt. Dat hebt gij aan mij gedaan, Cetschwayo, de grote olifant."

De zendeling zag dankbaarheid, maar tegelijk trots op het gezicht van de koning. Blijkbaar dacht deze moordzuchtige koning, dat deze blanke man midden tussen de Boeren, de ver verwijderde koning een dienst had willen bewijzen. "Gij zijt geen Engelsman en geen Boer, waar komt ge vandaan?" vroeg de koning. "Ik ben een Duitser," antwoordde de zendeling. "Duitsland is een land dat ver in het noorden ligt, in de buurt van Engeland." De zendeling stond nu op en ging naar zijn boekenkist. Hij haalde een boek tevoorschijn met daarop een portret van de Duitse keizer. Dit boek gaf hij aan de koning. Cetschwayo bekeek het geschenk met grote verwondering. Toen hij de platen en de ontelbare zwarte letters zag, werden zijn lippen wit en greep hij de arm van de zendeling angstig beet. Cetschwayo, de grote olifant, koning van duizenden heldhaftige krijgers, was bang voor het boek.

"Hebt gij het ding medicijn gegeven?" vroeg hij met bijgelovige afschuw. "O, neen," zie de zendeling geruststellend. "Het is geheel zonder medicijn. Alles is met de handen gemaakt, het gladde papier, de kleine zwarte tekens en de platen." Nu verdween de vrees van de koning; hij bleef wel een uur lang bij de zendeling, liet zich vele dingen vertellen en nam zeer bevredigd afscheid, terwijl hij door zijn dienaren het boek liet meenemen. Spoedig daarna kwam er een uitnodiging voor een hoffeest, dat diezelfde avond zou plaats vinden.


Hoofdstuk 13: Koninklijke manoeuvres en jachten


De Engelsman, Lord Adolphus Fitzherbert, had met de koning gesproken over het Engelse leger. De Engelse regering had besloten een einde te maken aan de macht van de Zoeloes. Nadat de Engelsen, de Boeren verslagen zouden hebben, zouden de Zoeloes spoedig volgen. Koning Cetschwayo zou om zijn macht te bewijzen, een grote oefening houden. Hij had al zijn troepen in de hoofdstad laten samenkomen. Overal lagen zwarte speerdragers op de vrije plaatsen voor de huizen of doorkruisten in grote troepen de straten. Vergezeld door zijn hofstoet, vertrok de koning op de tweede dag na het hoffeest. Zijn leger was reeds vooruit gemarcheerd.

Pieter Marits, de Engelsman en de zendeling zadelden hun paarden en reden met de koning mee. De volgende morgen aanschouwde Pieter een leger van wel twintig duizend man, dat bij regimenten marcheerde, om manoeuvres uit te voeren. In elk regiment waren de soldaten van dezelfde leeftijd; de jongsten bestonden uit lieden van vijftien of zestien jaar. De regimenten werden eerst geformeerd in dichte colonnes, daarna weer in lange linies uit elkaar getrokken, maakten zwenkingen en verdeelden zich in afdelingen van verschillende vorm. De Engelse Lord was verbaasd over de nauwkeurigheid en snelheid waarmee de troepen zich bewogen. Vermoeidheid schenen deze troepen niet te kennen. Het gelaat van de koning schitterde van trots, toen de Lord hem zijn bewondering te kennen had gegeven. "Mijn troepen marcheren een dag en een nacht achter elkaar zonder te rusten," zei Cetschwayo trots.

De oefeningen hadden echter een onverwacht slot, dat Pieter Maritz met afschuw vervulde. De koning gaf bevel verder noordwaarts te trekken. Tegen de avond zagen zij een dorp vóór zich liggen en de koning verdeelde zijn troepen zodanig, dat zij het dorp aan alle kanten insloten. Men kon uit de verte zien dat de bewoners naar buiten kwamen en angstig heen en weer liepen. Opeens stormden de soldaten van Cetschwayo van alle kanten op het dorp los en schreeuwden daarbij op een vreselijke wijze. Vlammen stegen op verschillende plaatsen uit het dorp op en bij het licht van de vlammen zag men, dat de bewoners gedood werden. Mannen en vrouwen werd een speer door de borst gestoken, of de schedel werd met een knuppel ingeslagen. Kinderen werden gedood en in de vlammen geworpen.

Cetschwayo verklaarde dat dit dorp zijn onvrede had opgewekt, omdat de hoofdman zijn bevelen niet met de nodige spoed gehoorzaamde. Bij deze woorden keerde hij zich om en trok hij zijn troepen terug. Cetschwayo liep meer dan een uur ver, totdat van de rook en de brand van het dorp niets meer te zien was. Daarop liet hij in het bos halt houden en gaf bevel hier voor de nacht het kamp op te slaan. Pas laat sliep Pieter in die avond. Na weinige uren werd het kamp, door een luid gebrul en geschreeuw gewekt. Een leeuw had een van de knechten gedood. Door de krijgers was de leeuw dadelijk verjaagd, maar het was hem toch nog gelukt het lijk mee te nemen.

Cetschwayo, buiten zichzelf van woede, gaf bevel aan zijn krijgers de leeuw levend te vangen. Met eigen hand wilde hij het dier doden, omdat het zo brutaal was geweest het koninklijk kamp binnen te dringen. Gehoorzaam legde de afdeling van het regiment met de blauwe schilden, de speren en schilden af, om ongewapend op jacht te gaan. Toen Pieter dit zag, zadelde hij zijn paard Jager. Hij wierp zijn buks om zijn schouder en reed uit, om de ongewapende jagers te vergezellen.

Het was intussen geheel dag geworden. Klaarblijkelijk hield de leeuw zich verscholen in het struikgewas. Zeer ver kon hij onmogelijk zijn gevlucht, want hij moest het zware lichaam van de dode met zich meeslepen. Nadat reeds zesmaal tevergeefs een kreupelbosje was doorzocht, kwam de troep voor een schuilplaats, die door hoge distels was ingesloten. Zonder aarzelen wierpen de Zoeloes zich hier in. Het duurde niet lang, of er weerklonk een geweldig gebrul. Een gillend geschreeuw uit honderd rauwe kelen beantwoordde het.

Pieter Marits hield zijn paard in op halve schotwijdte van de rand. Zijn hart klopte, toen hij zich voorstelde, wat zich daar tussen de struiken af speelde. Want thans vermengde zich het brullen herhaaldelijk met het geschreeuw. Plotseling verscheen de leeuw op een vooruitstekend rotsblok. Na enige ogenblikken stonden ook de zwarten op het rotsblok. De leeuw scheen verwonderd en bevreesd. De leeuw nam een geweldige sprong, en kwam buiten het kreupelhout op de grond terecht. Pieter kon de leeuw nu goed zien. Het was een geweldig dier, zijn gele manen waren dicht bij de hals zeer donker en zware haarbossen hingen aan zijn poten. Jager beefde aan al zijn leden en ging op de achterpoten staan: slechts met moeite kon Pieter hem in bedwang houden.

Als honden wierpen de Zoeloes zich, zonder aarzelen op het wilde dier. Een ontzettende strijd ving aan. Met één slag van zijn klauwen smakte de leeuw de voorste der aanvallers tegen de grond, hem borst en onderlijf verpletterend. Drie anderen wierp hij met bloed bedekt teneer, terwijl zijn tanden de bovenarm van een vijfde van de schouder tot de elleboog ontvleesden. Maar de Zoeloes wierpen zich over hem heen, zonder hem een ogenblik rust te gunnen. Hun vuisten grepen zijn manen, zijn klauwen, zijn staart, zijn neus, Ja ze drongen door tot in zijn muil en pakten zijn tong vast. De Zoeloes lieten niet meer los en na een worsteling, die verscheidene minuten duurde lag de leeuw, de vier poten gebonden, machteloos op de grond. Een touw sloot ook zijn muil. Behalve drie doden lagen echter nog zes zwaar gewonde mannen naast het ondier in het gras.

Cetschwayo zat, te midden van zijn hofstoet, op zijn schild, toen de troep terugkwam. Hij keek, de wankelend op de poten staande leeuw aan en kreeg een wilde uitdrukking in de ogen. Hij liep op hem toe en schold het dier de huid vol. Toen hief hij de zware ivoren staf op en sloeg het dier daarmee op zijn kop, zodat het van woede brulde; daarop staken, op een wenk van de koning, enige zwarten hem een speer tussen de ribben en doodden hem. Een luid triomfgeschreeuw weerklonk. "De koning heeft gestraft! De machtige olifant heeft gewroken! Sterk is de hand van de koning der koningen!"


Hoofdstuk 14: Mainze-Kanze (Laat de vijand komen)


Na korte tijd bereikte men de top van een kleine berg, wat zij hier zagen, verraste de blanken uitermate. Voor hen lag een uitgestrekt dal met verscheidene donkere kralen, hutten die in een kring staan om een groot plein. Vóór deze kralen schitterden wapenen. Er stond daar een heel leger opgesteld. Koning Cetschwayo wendde zich met zegevierende blik tot de zendeling. "Jullie hebben slechts een gedeelte van mijn krijgsmacht gezien," zei hij. "Dit leger draagt de naam 'Mainze-Kanze', hetgeen betekent: laat de vijand komen!" Er stonden niet minder dan tienduizend man opgesteld, die allen geweren droegen. "Dit was het 'regiment des konings', " vertelde Humbati aan de blanken.

Twintig mannen werden uitgezocht, om hun schietkunst te demonstreren. Ze werden op tweehonderd pas afstand verwijderd van een Boer, die van papier was gemaakt en beschilderd; hierop schoten ze om de beurt. De uitgezochte lieden behoorden waarschijnlijk tot de beste schutters en ze schoten zeer goed. Bij elk schot werd de borst of de kop geraakt. De koning zag thans om naar de blanken en zag dat Pieter met gespannen belangstelling toekeek. Hij glimlachte en verzocht de zendeling aan Pieter te vragen, of hij met de garde des konings een schietwedstrijd wilde houden.

Pieter moest blozen toen hij de uitnodiging vernam, alle zwarte schutters keken nu naar hem. Hij ging tegenover de schijf staan, woog de buks een ogenblik in de hand, schoot en trof de papieren Boer midden in het gezicht. De koning knikte goedkeurend. "Nu zal ik het rechteroog raken," zei Pieter. "Maar mijn beste jongen, pas toch op om de koning te beledigen door beter te schieten dan zijn manschappen," waarschuwde de zendeling. "Wat zegt de knaap?" vroeg Cetschwayo. "Hij wil op het rechteroog schieten," antwoordde de zendeling. "Laat hij dat doen!" riep de koning. "Mijn Zoeloes zullen hetzelfde doen."

Pieter mikte, het schot ging af en trof het rechteroog. "Nu mijn lieden!" riep de koning. De Zoeloes schoten, maar hun kogels troffen wel de kop en de hoed van de Boer, maar van de eerste negen schutters had nog geen enkel het oog getroffen. Daar trof de tiende het en de koning knikte bevredigend. Pieter had zich er over geërgerd, dat de Zoeloes op een schijf schoten, die een Boer voorstelde en hij wilde tonen, wat een goede schutters de Boeren waren. "Het doel is veel te groot voor een Boer!" zei hij trots. "Laat de koning een kraanvogelveer op de punt van een speer steken." Op driehonderd pas afstand werd een speer in de grond gestoken; een klein zwart veertje werd op de punt gezet. De koning liet de Zoeloes het eerst schieten, maar zij misten allen het doel, behalve de man die ook het oog had getroffen. Deze raakte wel niet de veer, maar zijn kogel vermorzelde de schacht van de speer, vlak beneden de punt. "Goed! zeer goed!" riep de koning en hij gaf de schutter één van zijn gouden armbanden. Een nieuwe speer werd geplaatst, en van een zwarte veer voorzien. Pieter zette de linkervoet naar voren en hief langzaam de buks op. Thans knalde het schot en de kleine veer was verdwenen, terwijl de speer recht overeind bleef staan. De koning gaf Pieter een compliment en schonk hem als beloning één van zijn gouden ringen. Maar in de ogen van Cetschwayo brandde heimelijke woede.


Hoofdstuk 15: De regenmaker


Pieter was treurig. Hij voelde zich eenzaam, nu de Engelsman was teruggegaan naar zijn eigen onderdeel. Cetschwayo had hem teruggestuurd met de boodschap dat hij de Engelsen zou helpen in hun strijd tegen de Boeren. Met de Lord had Pieter het altijd goed kunnen vinden. Nu bleef hij alleen achter met de zendeling, die een stuk ouder was dan Pieter. Het verblijf bij koning Cetschwayo leek veel op gevangenschap. Weliswaar werden de blanken met grote eerbied behandeld en luisterde de koning steeds met grote aandacht naar de zendeling, maar hun vrijheid was slechts zeer gering. Dat de zendeling vrijmoedig met de koning sprak en dat deze daarover niet boos werd, was voor het gehele hof een raadsel. De zendeling werd daarom bijna als een bovenaards wezen beschouwd; men zag hem als een tovenaar van de eerste rang. Ook de koning was er van overtuigd dat de zendeling kon toveren en hij vroeg hem toen de regentijd zeer lang uitbleef, in ernst, of hij geen regen kon maken. Toen zei de zendeling hem, dat hij wel kon bidden om regen, maar dat hij niet vooruit kon zeggen of zijn gebed verhoord zou worden.

De koning keerde naar Ulundi terug en liet de beste regenmaker uit zijn land bij hem komen. Op zekere middag hoorden de zendeling en Pieter een luid, aanhoudend gejuich. Alle krijgers stroomden naar buiten, de beroemde regenmaker kwam er aan. Pieter en de zendeling wandelde de kant uit waar de regenmaker zich bevond en keken naar de lucht. Wonderlijk genoeg pakten van vele kanten donkere wolken samen. Het volk keek naar de hemel en wees elkaar op de wolken. Juist toen de regenmaker de heuvel afdaalde, begon het te weerlichten; verschrikkelijke donderslagen rolden door het luchtruim en enkele grote regendruppels begonnen te vallen. Het volk raakte helemaal in vervoering. Zij dansten, zongen, bliezen op hoorns en sloegen op hun trommels. De regenmaker kwam nu naar de zendeling toe en bespotte hem. "Waar is nu je God?" vroeg hij met een spottende glimlach. "Heb je mijn Morimo gezien? Heb je opgemerkt, hoe uit zijn armen vurige speren vlogen, die de hemel deden splijten? Heb je zijn stem in de wolken gehoord?"

Veel regen was er echter niet gevallen, slechts het stof was verdwenen en de droogte hield aan. De daarop volgende dagen probeerde de regenmaker op allerlei wijzen regen te maken. Zodra zich ergens een klein wolkje aan de hemel vertoonde, werden krijgers rondgezonden, die de vrouwen verboden te planten en te zaaien, opdat de wolken niet werden verjaagd. Ook zond hij honderden krijgers het veld in om bepaalde wortelen en kruiden te zoeken. Hiervan wilde hij een groot vuur aanleggen, dat door de Zoeloes 'het vuur des geheims' werd genoemd. Maar toen al zijn vuren niets uitwerkten, begon hij te spreken van geheime tegenstanders, ervaren tovenaars die de regen tegen hielden. Hij keek hierbij minachtend naar de zendeling.

Eens verlangde de regenmaker een leeuwenhart en brouwde daarvan een toverdrank, die de koning moest drinken. Een andere keer zei hij, dat de begrafenissen verkeerd waren gehouden; hij liet de doden van de laatste maanden opgraven en opnieuw begraven, maar niets hielp. De koning begon langzaam het vertrouwen in hem te verliezen en werd met de dag kwader. Toen kwam de regenmaker op een avond, met neergeslagen ogen bij de zendeling in de tent en vroeg hem om raad. "Gij zijt een vriend van de koning," zei hij. "Spreek met de koning, zodat hij mijn leven spaart, zeg mij wat ik moet doen."

"Beken de waarheid! Beken, dat je geen regen kunt maken!" antwoordde de zendeling. " Als je dat wilt doen, dan zal ik de koning verzoeken, je leven te sparen."

"Dat is onmogelijk, dat kan ik niet doen." riep de regenmaker geschrokken. "Het is beter de waarheid te spreken dan te liegen," antwoordde de zendeling. De regenmaker ging ongetroost weer heen. De zendeling dacht er intussen over na, hoe hij de man kon helpen, want hij had toch medelijden met hem gekregen.


Hoofdstuk 16: Het afscheid van het land der Zoeloes


Terwijl de zendeling nog in gedachten verzonken was over het geheime bezoek van de regenmaker, kwam een bode van de koning zijn tent binnen met het verzoek dadelijk voor de koning te verschijnen. Op de tafel voor de koning stond een plat kistje met het deksel opengeslagen. "Ik heb Uw raad nodig, o zendeling," sprak de koning. "De Engelsen hebben mijn een papier gezonden."

De zendeling begreep, dat Cetschwayo al zes weken wachtte op een antwoord van de Engelsen op het voorstel dat hij aan de Engelse Lord Adolphus Fitzherbert had meegegeven. De koning nam een groot geschrift uit het kistje en reikte het over aan de zendeling. Deze las luid voor, terwijl hij het Engels in de taal van de Zoeloes vertaalde: "In naam van Hare Majesteit de koningin. De generaalgouverneur van het kaapland en eerste commissaris voor de zaken der inlanders, aan de koning Cetschwayo".

Allereerst werd Cetschwayo bedankt voor de goede zorgen en eervolle behandeling van de Engelse Lord, en het voorstel om niet de wapenen tegen elkaar op te nemen. Het gelaat des konings helderde bij deze woorden enigszins op en hij wisselde een blik van tevredenheid met de zendeling.

De zendeling las verder: "Wanneer de koning een bondgenootschap wil aannemen met de regering der kaapkolonie ten behoeve van de oorlog tegen Transvaal, dan moet de koning zich houden aan de Engelse wetgeving. Koning Cetschwayo heeft op het district Utrecht aanspraak gemaakt, maar het kan niet duidelijk genoeg gezegd worden, dat dit land hem niet toebehoord en daarop elke aanspraak dient te laten varen. De koning zal de versterkte kralen langs Tugela en de Buffalo moeten verlaten en zijn garnizoenen verder moeten terugtrekken. Ook moeten alle wapens worden ingeleverd en zal een Engelse bevelhebber de koning adviseren bij belangrijke beslissingen"

Toen de zendeling de brief verder had uitgelezen, keek hij de koning aan en bemerkte, dat Cetschwayo zo woedend was, dat hij slechts met moeite kon ademhalen en nauwelijks woorden kon uitbrengen. Voorlopig stotterde hij slechts enkele lettergrepen, terwijl de aderen van zijn voorhoofd opzwollen en zijn ogen vol bloed schoten.

"Ha!" riep hij. "Ha! Verzamel het gehele leger, breng mij die verrader, opdat ik hem het hart uit de borst kan scheuren!" De Koning werd steeds roder en kon niet verder spreken, hij greep met zijn handen zijn hals en verloor zijn bewustzijn. De lijfarts kwam spoedig aangelopen, en begon de zware koning voorzichtig overeind te zetten. De zendeling ging op zoek naar de regenmaker en gaf hem een flesje met een drankje uit zijn huifkar. "Ik reken er stellig op, dat dit medicijn helpt," zei de zendeling. "Je zult het hem drie keer per dag zó moeten geven, dat hij je kunst moet bewonderen." Na enige dagen hoorde de zendeling dat de koning geheel hersteld was dankzij de toverkunsten van de regenmaker. Spoedig daarop kwam de regenmaker bij de zendeling en bedankte hem met tranen in de ogen. Nauwelijks had de regenmaker zijn tent verlaten of er kwam een landregen opzetten en hulde veertien dagen lang de aarde in mist, nevel en water.

Cetschwayo liet, zodra hij genezen was, dertigduizend krijgers samenkomen en ze uitrusten met geweren. Hij zag in, dat een oorlog met de Engelsen onvermijdelijk was geworden. Pieter Marits en de zendeling bleven nog enkele maanden bij de koning. Pieter had goed Engels leren spreken van de Engelse Lord en bij de Zoeloes werd hij vertrouwd met de kennis van hemel en aarde, met de ligging van vreemde landen, hun bergen en rivieren. Hij leerde de geschiedenis der Europese volken kennen, enz. Het jaar 1878 liep ten einde toen de koning besloot de zendeling en Pieter Marits terug te laten gaan naar het land vanwaar ze kwamen. In totaal hadden ze een jaar lang met koning Cetschwayo opgetrokken.


Hoofdstuk 17: Utrecht


Bij aankomst in een militair kamp, vroeg de bevelhebber naar het doel van hun reis. Hij was verwonderd, toen hij hoorde, dat de oude man en Pieter uit de hoofdstad van Cetschwayo kwamen en was blij mensen te zien, die hem inlichtingen konden geven over de grootte van Cetschwayo's leger. Maar zowel de zendeling als Pieter weigerden hierover inlichtingen te geven, Cetschwayo was zeer grootmoedig tegen hen geweest en had hen geen kwaad gedaan.

De Engelse bevelhebber nam hier geen genoegen mee. Hij dacht na en zei tegen de zendeling, dat hij, met het oog op de ouderdom en het beroep van de zendeling, vrij was om terug te keren naar zijn familie. Pieter echter, die een Boer was, moest voor verhoor naar het hoofdkwartier te Utrecht worden gebracht. Die avond nam Pieter, met een bedroefd hart, afscheid van de zendeling, die zolang zijn goede vriend was geweest.

In Utrecht aangekomen werd Pieter verhoord door een hoge kolonel. "Treed nader!" riep de kolonel Pieter toe. In de kamer zaten twee Zoeloes gehurkt op de grond, het waren gezanten van koning Cetschwayo. "Versta je de Zoeloetaal voldoende en genoeg Engels om als tolk te fungeren?" vroeg de kolonel.

"Oh ja, dat denk ik wel," antwoordde Pieter. "Ik heb bijna een jaar bij de Zoeloes gewoond en de Zoeloetaal vrij goed geleerd." Pieter wendde zich tot de Zoeloes en vroeg hun wat zij kwamen doen. Nadat hij enige woorden met de Zoeloes had gewisseld, wendde Pieter zich tot de kolonel.

"Zij zeggen dat koning Cetschwayo het zeer betreurt met de Engelsen van mening te verschillen. Hij verzoekt om voldoende opheldering over de vele oorlogstroepen van Engeland langs zijn grenzen, anders is hij genoodzaakt, ook van zijn kant op oorlog bedacht te zijn." De kolonel trok de schouders op en onderdrukte een glimlachje, dat om zijn lippen speelde. "Vraag de gezanten eens, of Cetschwayo de eisen van de Engelse regering niet kent: terugtrekking van zijn krijgers, de wapens inleveren en het toelaten van een Engelse bevelhebber? ." Pieter deelde de wedervraag van de kolonel aan de beide Zoeloes mee. De ogen van de Zoeloes fonkelde van toorn. "De koning heeft op deze eisen niet geantwoord," zeiden ze, "omdat dit beneden de waardigheid van de koning zou zijn."

"Nu dan," hernam de kolonel, toen Pieter hem deze woorden had vertaald, "Als Cetschwayo de voorwaarden niet wil aannemen, dan zullen de Engelse troepen de oorlog openen. Dit kunnen de gezanten hun koning overbrengen." Na deze woorden stonden de Zoeloes met trotse gebaren op. "Laat het dan oorlog zijn!" riepen ze en met dreigende blik verlieten ze de kamer.

Daar niemand zich meer om Pieter bekommerde wilde hij weggaan, toen de kolonel hem terugriep. "Nu, mijn jonge vriend," zei hij, "kom eens hier bij mij aan de tafel zitten en vertel mij eens nauwkeurig wat je van de Zoeloes weet. Hoeveel soldaten heeft Cetschwayo wel? Waar staan zijn bendes? Hoe zijn ze bewapend? Wat is hun manier van vechten? Vertel me dat eens heel duidelijk en uitvoering."

Pieter antwoordde: "Mijnheer, dat mag ik u niet vertellen. Ik weet het weliswaar zeer goed, maar ik heb het als gast van de koning vernomen en het zou verraad zijn, als ik het U zei."

"Wat?" riep de kolonel. "Wat is dat voor een antwoord. Wij houden hier niet van grappen. Wij zijn in oorlog." Maar Pieter bleef weigeren informatie te geven over Cetschwayo. Daarop riep de kolonel een wachter en zei: "Je schijnt mij zeer verdacht, vriendje. Wacht, laat de jonge knaap achter slot zetten, totdat hij weet wie er hier de baas is." Pieter stond als versteend. Zo slecht hadden hem noch de Zoeloes, noch de rovers in het Drakengebergte behandeld. Hij, een vrije Boerenzoon, zou in de gevangenis moeten?

De 20ste januari, toen Pieter reeds meer dan 14 dagen gevangen was geweest, vertrok een lange trein met manschappen en stukken geschut naar het land van Cetschwayo. Meer dan 200 wagens met ieder 10 ossen ervoor gespannen en beladen met kisten munitie en etenswaar, reden achter de trein aan. De Engelse stuurden slechts 3000 manschappen naar Cetschwayo.

Pieter dacht aan de troepen der Zoeloes. Hoe licht en talrijk zij waren. Plotseling hoorde hij met sleutels rammelen. De gevangenbewaarder trad binnen. "Je komt los, neef," zei hij. "De kolonel heeft bevolen, dat je voor de opperbevelhebber, generaal Chelmsford, zult worden gebracht."

Pieter sprong vol vreugde in de hoogte. Was hij nog onzeker van wat er verder ging gebeuren, hij kwam tenminste uit de gevangenis.


Hoofdstuk 18: De slag van Isandula


Met grote blijdschap zag Pieter zijn paard gezadeld voor de deur staan en greep hij naar zijn buks. "Het geweer zullen we je toch maar liever afnemen," zei de onderofficier tot Pieter, "het zou je bij het warme weer alleen maar tot last zijn."

Pieter gaf zijn buks aan één van de vier gevangenbewaarders die met hem zouden meerijden. Toen ging men op weg in Zuidelijke richting. Vele wagens, ruiters en voetgangers kwamen de patrouille tegen. Bijna iedereen trok Noordwaarts, want deze weg liep langs de grenzen van het Zoeloeland. De inwoners vreesden een inval van de zwarte bendes en trachtten zich in veiligheid te brengen.

De volgende dag, 's avonds om zes uur, bereikte men fort Agneu waar men te horen kreeg dat de opperbevelhebber, generaal Chelmsford, reeds was vertrokken met een colonne naar het Zoeloeland. De volgende dag was warm en drukkend. De onderofficier liet de buks aan Pieter teruggeven, omdat deze hem te zwaar werd en Pieter zich tijdens de reis steeds goed had gedragen. Na een tocht van twee uren, werd er halt gemaakt, om te foerageren.

Terwijl Pieter rustig bij zijn paard stond, bleef hem opeens van schrik een stuk in de keel steken. Hij zag in de verte, tussen twee cactusbosjes een zwart hoofd opduiken, met een haartooi die hem bekent voorkwam. "Het zal verstandig zijn goed in het rond te kijken," zei Pieter tegen de onderofficier. "De Zoeloes zijn vlug ter been en wij zijn thans op hun grondgebied."

"Haha!" lachte de onderofficier, "ik ben er ook nog, wees maar niet bang." Voordat de patrouille het kamp van generaal Chelmsford bereikte, zag Pieter nog enkele keren groepjes Zoeloes, die ieder tot een ander regiment behoorden. Thans was hij er van overtuigd, dat een grote Zoeloemacht in de nabijheid was. Pieter keek intussen om zich heen en schatte de hier verzamelde Engelse troepen op ongeveer zestienhonderd man. Er stonden meer dan tweehonderd wagens naast elkaar geplaatst.

"Mijnheer de overste," riep Pieter, "als u er nog tijd voor hebt, laat dan de wagens in een kring zetten. De streek is niet veilig en Cetschwayo valt hevig aan." De officieren moesten allen lachen om Pieter, maar tegelijkertijd weerklonken de eerste schoten. Er werd direct alarm geslagen. De soldaten sprongen op en grepen naar hun geweren; de ruiters liepen naar hun paarden, de artilleristen naar hun stukken geschut. Pieter sprong in het zadel en volgde met de grootste spanning het aanrukken der Zoeloes en de maatregelen van de Engelsen. Maar de Zoeloes tegenover hen, werden steeds talrijker en kwamen steeds dichterbij. Het was, alsof ze uit de grond opdoken. Thans kwamen ze ook uit het Oosten en omsingelde een grote wolk van zwarte schutters het kamp in een halve cirkel. Pieter wist niet of hij ook op de Zoeloes zou schieten, ze hadden hem goed behandeld. "Onze vijand is Engeland," had zijn stervende vader tegen hem gezegd.

Toen de Engelse troepen zagen, welk een overmacht naderde, werden vele gezichten bleek. Zover de halve cirkel der schutters zich had uitgestrekt, stond thans een donkere muur van aaneengesloten afdelingen. Regiment na regiment daalde de heuvels af. Pieter kon reeds de verschillende kleuren der regimenten onderscheiden. Niet minder dan 15.000 krijgers kwamen naderbij.

Het regiment van de koning, dat in het midden stond, marcheerde in gewone gang op de Engelse artillerie los, de beide vleugels echter liepen sneller en zo kromde de lijn van het zwarte leger zich meer en meer, klaarblijkelijk met het doel, het Engelse kamp te omsingelen. Omdat de regimenten der Zoeloes zonder enige bedekking, dicht aaneengesloten waren, acht gelederen achter elkaar, leden zij grote verliezen. Het Engelse geschut vuurde granaat na granaat en trof de krijgers bij tientallen tegelijk. Maar ook het kleine leger der Engelsen had verliezen, want de Zoeloes vuurden, in hun aanvalsmars, sterk en hevig.

Pieter zag in, dat het tijd werd aan zijn redding te denken. Binnenkort zouden de Zoeloes het gehele kamp hebben omsingeld, en dan was hij met de anderen verloren. Pieter gaf Jager de sporen en vluchtte door de steeds smaller wordende opening. Na een rit van tien minuten draaide Pieter zich om en zag dat de Zoeloes het kamp reeds genaderd waren. De officieren schoten met hun revolvers en zwaaiden met hun sabels. Maar de Zoeloes sprongen als panters naar voren en schuwden geen gevaar, geen kogel, geen sabelhouw. De paarden, zelfs de ossen werden met speren doodgestoken. Het was gruwelijk om naar te kijken. Geen enkele rode jas was meer te ontdekken tussen de schilden en de zwarte lichamen, allen waren gevallen.


Hoofdstuk 19: Te Pretoria


Pieter volgde de hem bekende weg naar Utrecht en overnachte bij een gastvrije Boerenfamilie. Pieter sliep lang en vast; de gebeurtenissen van die dag hadden hem zeer vermoeid, maar geheel verkwikt zette hij de volgende morgen zijn reis voort.

Toen hij Utrecht bereikte, vond hij de stad in grote opgewondenheid. Het bericht van de nederlaag was reeds aangekomen. Vier dagen later bereikte Pieter de hoofdstad Pretoria. Kort voordat Pieter de eerste huizen der stad bereikte, werd hij ingehaald door een troepje ruiters. Het waren, naar hun kleding te beoordelen, Boeren. Eén van de ruiters vroeg in het Afrikaans wie hij was en waar hij naar toe ging. Pieter vertelde dat hij behoorde tot de Boeren in het Noorden. Baas van der Goot, deelde hij mee, was het hoofd van zijn gemeente en hij kwam naar Pretoria, om te onderzoeken waar hij zijn familie kon terugvinden.

"Baas van der Goot," zei de ruiter, "die ken ik zeer goed. Een echte Boer, een vroom en eerbiedigwaardig man en een voortreffelijke schutter. Ik zag hem twee jaar geleden voor het laatst, toen ik aan onze Noordelijke grenzen het bevel voerde over een commando."

"Wie is deze heer?" vroeg Pieter aan een derde ruiter. Deze glimlachte, "Het is veldkorporaal Joubert," antwoordde hij. Pieter bekeek de man nu beter. Dit was dus de gevreesde Joubert, over wie hij zovaak had horen praten in zijn gemeente. "Ben jij de zoon van Klaas, of misschien van Andries Buurman?" vroeg Joubert nu aan hem. "Ik ben de zoon van Andries," antwoordde Pieter. "Mijn vader viel vorigjaar tijdens een gevecht met de Betchuanen."

"Dus Andries is dood," zei de veldkorporaal. "Ook hij was een dapper man en zijn dood is een groot verlies voor de republiek." De veldkorporaal liet zich steeds meer vertellen over het gevecht tussen de Engelsen en de Zoeloes en van het Hof van Cetschwayo en nodigde Pieter uit voor het avondeten. Pieter nam dit aanbod met groot genoegen aan want zijn laatste maaltijd kon hij zich al bijna niet meer herinneren. Na de maaltijd liet de korporaal Pieter in een stoel plaatsnemen.

"Jonge man, je verstaat, als ik me niet vergis, het Engels perfect. Je kunt de Republiek een grote dienst bewijzen." Pieter knikte en luisterde aandachtig naar de veldkorporaal. "Zoals je weet heeft de Engelse regering het gebied der Republiek bezet en er een Engelse kolonie van gemaakt, hoewel de regering van Transvaal er uitdrukkelijk tegen geprotesteerd heeft. Het zal zeer waarschijnlijk op een bloedige botsing uitlopen tussen ons en de Engelsen. Jij, als zoon van Andries Buurman, zult dat beter weten, dan wie ook!"

"Thans voeren de Engelsen oorlog tegen de Zoeloes en moeten ze tonen, wat ze kunnen. Ik denk dat jij de geschikte persoon bent, om mij van de Engelse oorlogsvoering op de hoogte te houden. Maak de veldtocht naar het Zoeloeland mee. Sluit je aan bij het Engelse regiment. Over alles wat je ziet, doe je mij uitvoerig mondeling rapport. Wat denk je er van, wil je deze opdracht aanvaarden?"

"Ik zal het zeer gaarne doen," zei Pieter, "en ik zal mijn best doen het goed te doen. Maar eerst moet ik echter mijn gemeente op zoeken, zodat mijn moeder weet, dat ik nog leef."


Hoofdstuk 20: Te Pretoria


Pieter ontwaakte 's morgens met een gevoel alsof hij alles gedroomd had, het voorstel van de veldkorporaal was ook zo snel gekomen. Na het ontbijt ging Pieter de veldkorporaal opzoeken. Hij vond Joubert in een kamer, waarvan de tafel vol kaarten lag. "Vertel mij eens, mijn jongen," vroeg Joubert, zodra Pieter binnen kwam, "kunnen die Engelsen schieten?"

"Nee, mijnheer," antwoordde Pieter. "Wel kunnen ze beter omgaan met een geweer dan de Zoeloes, maar goed schieten kunnen ze niet." Pieter vertelde nogmaals uitvoerig wat hij tijdens het gevecht met de Zoeloes gezien en gehoord had. De veldkorporaal luisterde met grote aandacht. Toen Pieter vertelde dat hij de Engelsen gewaarschuwd had, dat er zeer veel Zoeloes in de buurt waren en de Engelse onderofficier hem daarom had uitgelachen, moest Joubert glimlachen. Na van de veldkorporaal afscheid te hebben genomen, reed Pieter langs het Engelse militaire kamp. De witte tenten stonden als een tweede stad naast Pretoria. Pieter gaf Jager de sporen en wou juist verder rijden toen hij een bekende stem hoorde.

"Waarachtig, dat is mijn Afrikaanse vriend!" zei deze en Pieter herkende Lord Fitzherbert op een prachtige goudvos. De Engelsman was buitengewoon vrolijk en verheugde zich Pieter weer te zien, met wie hij zoveel ellende had doorstaan. Na deze eerste begroeting reden de jonge lieden in het gezelschap van enkele andere Engelse officieren naar het kamp terug. De tent van Lord Fitzherbert was rijk gemeubileerd en gemakkelijk ingericht. Nadat de jongelui enige tijd hadden zitten praten, nam Lord Fitzherbert van de middelste tentpaal een vreemdsoortig bewerkte degen. Het gevest bestond uit een kruis van staal en was met gouden sieraden ingelegd; de schede was van zwart leder met verguld beslag en hing aan een leren koppel. Hij trok de kling er uit, een tweesnijdende, spitse kling, en zei: "Neem deze oude Spaanse degen als een geschenk van mij aan."

De Boerenzoon kreeg een kleur van blijdschap. Hij haalde de gouden ring tevoorschijn die hij van Cetschwayo had gekregen en reikte hem aan de Lord over als tegengeschenk. "O, nee," sprak de Lord, "Dat kan ik niet aannemen, voor die ring kan je een aantal zulke degens kopen. Ik verzoek je mij je hartsvanger af te staan als aandenken aan onze avonturen." Hierna begaven zij zich naar de tent, waar de officieren hun middagmaal gebruikten. Pieter zat aan de rechterkant van zijn vriend en moest uitgebreid vertellen over hun belevenissen bij de Zoeloes. Lord Fitzherbert riep: "Ik heb Cetschwayo en zijn leger leren kennen, jullie kennen hem slecht, wanneer je meent dat hij om vrede zal komen vragen. Als Cetschwayo wist hoe het er bij ons uitzag, ging hij met zijn gehele leger over de Buffalo en zou hij door Natal kunnen trekken, zonder dat we het hem konden verhinderen"

"Lord Fitzherbert heeft gelijk," sprak een ouder officier. "We moeten hier blijven, totdat de versterkingen uit Engeland zijn aangekomen." De Fransman Dubois vertelde, dat hij opdracht gekregen had een afdeling lichte ruiterij te vormen. Het was een grote fout gebleken in de oorlog tegen de Zoeloes, dat men niet genoeg cavalerie had. Boeren in Transvaal, Oranje-Vrijstaat en Natal zouden hiervoor worden aangeworven. "Kunt U mij gebruiken?" vroeg Pieter.

Lord Fitzherbert keek hem verbaast aan en op het gelaat van de Fransman kwam een blijde trek. "O, uitstekend, uitstekend!" sprak de Fransman Dubois en reikte hem de hand. "Ik neem je aan en je zult een peloton ruiters aanvoeren." Er werd afgesproken, dat Pieter eerst naar het Noorden gaan zou, om zijn gemeente te zoeken, waarna hij onder het commando van luitenant Dubois in Engelse dienst zou treden.


Hoofdstuk 21: Thuis en in Engelse dienst


Op de terugweg overpeinsde Pieter zijn nieuwe positie in het Engelse leger. De Engelsen betaalden goed. Hij zou 30 pond per maand ontvangen. Daarvan kon hij voor zijn moeder een aardig sommetje sparen. Bovendien vervulde hij op deze wijze zijn opdracht, die veldkorporaal Joubert hem gegeven had. Pieter zette Jager op stal en ging te voet de stad in, om geschenken te kopen voor zijn moeder en broers en zusters. Voor zijn moeder kocht Pieter een rode doek, waarin zij beschutting kon vinden tegen de koude, voor zijn oudste broer, die nu 15 jaar oud was, kocht hij een revolver; voor zijn jongere broertje, 13 jaar oud, een sterk breed mes. Pieter's hart klopte van vreugde bij de gedachte aan al de gelukkige gezichten, die hij bij het uitpakken om zich heen zal zien. De volgende morgen gaf hij Jager de sporen en toen de zon in het zuiden stond, bereikte Pieter de hutten van zijn gemeente.

Hij nam zijn hoed af en begroette met een stralend gezicht enkele mannen. De mannen keken hem verwonderd aan en schenen hem in het eerste ogenblik niet te herkennen; zijn nieuwe kleding en zijn ontwikkelde gestalte wekten hun verbazing op, maar spoedig zagen zij dat het de reeds dood gewaande Pieter Marits en het paard, de trouwe jager, van de in de strijd gevallen Andries moesten zijn.

Toen Pieter de hut van zijn moeder binnenliep, verbleekte ze een ogenblik. Vol verbazing en moederlijke trots bekeek vrouw Buurman haar oudste jongen en kon de verloren gewaande zoon niet genoeg liefkozen, terwijl hij haar alles vertelde wat hij in het laatste jaar had ondervonden. Toen hij echter uit de binnenzak van zijn jas een flinke buidel goudstukken te voorschijn haalde en haar die ten geschenke gaf met de rode doek, was ze sprakeloos van vreugde en geluk. Tegen de avond kwamen ook de oudste broers uit de weide terug en begon de vreugde opnieuw.

Nadat Pieter een week thuis was geweest, begon de zucht naar avontuur weer in hem wakker te worden, zodat hij besloot het Engelse kamp bij Pretoria te gaan bezoeken en zich ter beschikking te stellen. Pieter reed de volgende morgen naar het Engelse kamp en vond de Franse luitenant Dubois druk in de weer met het samenstellen van zijn afdeling lichte ruiterij. Hij was zeer blij toen hij Pieter zag aankomen en droeg hem onmiddellijk op duidelijk te maken wat hij van zijn mannen wilde. Dubois sprak maar matig Afrikaans en de nieuwe afdeling, ongeveer 50 man, bestond grotendeels uit Boeren. De volgende dag vertrok het kleine troepje lichte ruiterij van Pretoria naar het Zuiden. Luitenant Dubois reed aan het hoofd met Pieter naast zich. Dubois had opdracht, onderweg zoveel mogelijk vrijwilligers te werven, hij bracht daarom in alle plaatsen van enig belang een paar dagen door.

Het peloton lichte ruiters trok langs het hele Engelse front zodat Pieter de oorlogsuitrustingen op zijn gemak kon gadeslaan. Pieter hield onderweg de ogen goed open en lette op alles wat het Engelse leger betrof, hij moest steeds aan de opdracht denken die generaal Joubert hem gegeven had.


Hoofdstuk 22: De slag bij Gingilowo


Luitenant Dubois vond met honderd ruiters na enige dagen rijden aansluiting bij de troepen van generaal Chelmsford, die zich op enige mijlen van het fort Ekowe bevonden. Pieter kon het fort met het blote oog als een donker vlekje aan de horizon zien liggen.

Een boodschapper van Kolonel Pearson, die zich in het fort bevond, bracht die avond het bericht dat er minstens 30.000 Zoeloes in de buurt van het fort waren. Bij eerdere gevechten met de Zoeloes, hadden de Engelsen al 12 officieren en 86 man verloren. De generaal inspecteerde hierna zijn kamp, waar aan de verdediging intussen hard gewerkt was. Het kamp vormde een reusachtige vierhoek, groot genoeg voor de troepen en de duizenden ossen die de wagens en de kanonnen tot hier hadden voortgesleept. De vier zijden waren door grachten en wallen omgeven. Alleen voor het geschut en de mitrailleurs werden openingen vrijgelaten. Deze mitrailleurs hadden ieder 25 lopen, die tot een bundel verenigd waren.

Drie bataljons Zoeloes, elk 800 man sterk, onder aanvoering van de overgelopen Humbati, versterkten de Engelse groepen, zodat er in totaal 3400 blanken en 2300 zwarten het kamp van Gingilowo verzameld waren. De volgende nacht onweerde en regende het hevig, de grond was doorweekt en het gras was geplet. 's Morgens bespiedde Pieter met grote zorg het terrein, hij wist dat de Zoeloes het liefst de eerste morgenuren gebruikten voor hun aanvallen. Het riviertje, even buiten het kamp, was door de hevige regenval buiten zijn oevers getreden. Eensklaps dacht Pieter, dat hij een donker voorwerp in het water zag drijven. Hij drukte Jager aan en met voorover gebogen hoofd bekeek hij aandachtig het bijna onzichtbare voorwerp. Vóór hem lag, nog half in het water, een Zoeloe. De Zoeloe keek verrast op; hij had niet verwacht ontdekt te worden. Onbeweeglijk staarde hij in de loop van Pieter's buks. Maar 't was Pieter onmogelijk de trekker over te halen, hij had nog nooit mensenbloed vergoten. Hij huiverde bij de gedachte de Zoeloe als een stuk wild neer te moeten schieten. Nog een seconde aarzelde Pieter, toen riep hij zacht in de taal de Zoeloes: "Terug, Zoeloe!" Er gleed een straal van vreugde over het gezicht van de zwarte krijger, waarna hij zich verder in het water liet zakken en naar de overkant zwom. Pieter wendde zijn paard en reed langs de voorposten van het kamp. "Past op," riep hij hen toe:" de Zoeloes zijn in aantocht!"

Pieter vergiste zich niet; een sterke legermacht was in aantocht. Ze marcheerden snel, schouder aan schouder, schild aan schild en tussen de schilden blonken de punten der speren en de lopen der geweren in de morgenzon. Nauw aaneengesloten zwommen ze naar de overzijde. Pieter herkende één der regimenten van Mainze-Kanze. Er heerste een ernstige stilte in het Engelse kamp. Vele officieren, waaronder generaal Chelmsford zelf, stonden op de wal door verrekijkers de naderende vijand te bekijken. De zwarte massa's naderden in snel tempo en omsingelden het front en de beide flanken in een grote boog.

"Laat het granaatvuur openen." riep de generaal tegen de commandant de artillerie. Vijf seconden later dreunde de zware stem van een negenponder door de lucht en een wit wolkje werd zichtbaar boven de gelederen der naakte strijders. Snel volgden de schoten elkander nu op en de ene granaat na de ander vloog de vijand tegemoet. Maar telkens werden de door de granaten geslagen openingen weer opgevuld door nieuwe krijgers, met verbazingwekkende snelheid rukte het Zoeloeleger voorwaarts en als een zwarte zee golfde het langs de hellingen naar beneden.

De afstand werd snel kleiner en het gekletter der mitrailleurs mengde zich met het gedonder der kanonnen. De kruitdamp hing als een dichte nevel over het kamp zodat men niets meer van de naderende vijand kon waarnemen; toch bespeurde men hun aanwezigheid aan een vervaarlijk krijgsgezang, dat zelfs boven het hevige vuren uitklonk. In looppas rukten ze voort, geheel zonder dekking. De granaten vielen tussen hem in en krakend ontploften de helse werktuigen in hun dichte aaneengesloten rijen. De Zoeloes sprongen eenvoudig over de doden en gewonden heen en sloten zich weer aan. De kleine loden kogeltjes uit de mitrailleurs doorboorden schild en borst, maar het woeste gejuich en gezang hield aan. Thans waren ze nog maar 200 pas van de wal verwijderd; de witte tanden en rollende ogen waren duidelijk te zien. Geen schot miste op de korte afstand en het groene gras werd rood geverfd door het bloed en verdween onder de lijken. Onder zulke vreselijke verliezen wankelden zelfs de Zoeloecolonnes.

Opeens bemerkte Pieter een ruiter achter het regiment van de koning. Met drie verse regimenten stormen Prins Dabulamanzi voorwaarts. Pieter herkende het luipaardvel op de rug van zijn paard. De Boeren namen nu tussen de roodjassen plaats en honderden repeteer-geweren versterkten de rijen der mitrailleurs. Pieter openden, samen met de Boeren en de Engelse schutters, een moorddadig vuur. Strijder op strijder beet in het zand, de doodskreten vermengden zich met het krijgsgezang. Pieter had in het gemeenschappelijk gevaar zijn afkeer van te doden overwonnen. Wanneer ook maar op één plek de krijgers het kamp zouden binnenkomen, dan leefde na een half uur niemand meer.

Het kamp leek een vuurspuwende krater, op alle hoeken waren de kanonnen en mitrailleurs werkzaam. Meermalen bereikten de Zoeloes, over de lichamen der gevallenen heen, de zandwallen en keken met hun tijgerogen in de binnenruimte van het kamp. De Engelsen hadden hun bajonetten op de geweren geplaatst en staken man voor man neer. Eindelijk hield de aanval op, het snelvuur van de Europeanen achter de wallen was te moorddadig voor de vijand, de tactiek der blanken was de zwarten te machtig. De Zoeloe-regimenten, sterk uitgedund, wankelden, snelden terug en verspreidden zich over het terrein.

Toen Pieter met de Engelsen op deze laatste overblijfsels van het dappere Zoeloeleger inreed, ontdekte hij Prins Dabulamanzi. Pieter wierp de buks over de schouder en trok de spaanse degen, die hij van Lord Fitzherbert gekregen had, en reed op de Prins af. De Prins pakte zijn speer en deed een stoot naar de borst van zijn aanvaller. Pieter ontweek de speerstoot en op hetzelfde ogenblik trof de degen van de Boerenzoon de zwarte aanvoerder in de naakte borst. Dabulamazi zonk dodelijk getroffen achterover, Pieter greep met vaste hand zijn gouden hoofdband en zwaaide er zegevierend mee in de lucht.


Hoofdstuk 23: Voorbereidingen


De met zoveel doodsverachting uitgevoerde aanval was afgeslagen, het gezang van de zwarte krijgers was verstomd, de wallen van het Engelse kamp hadden opgehouden dood en verderf te braken. Pieter reed terug naar het kamp en droeg de hoofdband van Dabulamanzi met zich mee. De commandant bracht Pieter naar de opperbevelhebber en stelde hem aan deze voor en zei: "De vijandelijke aanvoerder is door deze Boerenzoon gevallen, deze hoofdband heeft hij de zwarte prins in een eerlijk tweegevecht van het hoofd gerukt."

De opperbevelhebber wierp een blik op Pieter en scheen hem te herkennen. "Is dat niet dezelfde jongeman, die getuige was van de slag bij Isandula?" vroeg hij. Pieter nam zijn hoed af en maakte een buiging voor de generaal. Deze nam het Victoriakruis van zijn borst en spelde hem op Pieter's hemd. "In naam van Hare Majesteit de Koningin," sprak hij, "reik ik u dit ereteken over, als een beloning voor uw betoonde moed. Ik verzoek u mij deze hoofdband af te staan, zodat ik hem bij de veroverde trofeeën kan voegen; driemaal het gewicht in goud krijg je er voor terug."

Pieter mompelde enige woorden van dank; de eer en de vreugde maakten hem duizelig. De officieren feliciteerden Pieter hartelijk en de hoofdband ging van hand tot hand. In het kamp werd twee dagen rust gehouden om weer enigszins op krachten te komen. Intussen kwamen verse Engelse troepen aan, het ene regiment na het andere kwam binnen. In totaal verzamelden zich 22.000 man om op te trekken naar Ulundi, de hoofdstad van Cetschwayo.


Hoofdstuk 24: De slag bij Ulundi


Aan beide stegen de vlammen ten hemel, de terugtrekkende Zoeloes staken overal het gras in brand en vluchtten naar Ulundi. Pieter behoorde steeds tot de voorste ruiters; hij zag het eerst Ulundi en de kraals in de nabijheid van de hoofdstad. Hij zag thans het landschap terug dat hij met de zendeling had bezocht. Pieter begreep dat de Zoeloekoning in de onmiddellijke nabijheid van de hoofdstad, die door zijn voorouders bewoond was geweest, de beslissende slag wilde afwachten.

Toen het Engelse leger opmarcheerde bleek wel dat de Zoeloes nog niet verslagen waren. Talloze kleine afdelingen lagen in de bossen en ravijnen verborgen en de gehele dag knalde het geweervuur bij de voorhoede. De Engelse opperbevelhebber wist dat hij in het open veld aangevallen zou worden, daarom vormde hij de gehele krijgsmacht tot één grote groep, zodat hij zich aan alle kanten kon verdedigen en stuurde hij Pieter voor het leger uit om uit te kijken naar de vijand. Het verwonderde Pieter, dat de vijand zich niet liet zien. Waar waren de Zoeloe-regimenten? Omdat hij bekend was met het terrein, waagde hij zich ver vooruit en verkende geheel alleen het gebied tot de hoofdstad Ulundi.

Pieter keek om, het Engelse leger was niet meer te zien. Zou hij nog verder gaan? Hij vertrouwde op Jager en reed door. Binnen enigen minuten zag Pieter een grote massa Zoeloes, wel 2000 man. De mannen stonden onbeweeglijk, het schild aan de arm in een lange rij. Boven op de heuvel stond een groep, die als de koninklijke hofstoet te herkennen was. Een gestalte, op een witte staf geleund, stond vooraan, het was koning Cetschwayo. Op een afstand van ongeveer 2000 passen trok een grote Zoeloemacht naar de rechterflank van het Engelse leger. Toen Pieter omzag, ontdekte hij een tweede leger dat naar de linkerflank optrok, op een iets grotere afstand gevolgd door een derde zwarte massa, die vanuit Ulundi het leger tegemoet liep. Zo werd het Engelse leger aan drie zijde ingesloten terwijl Cetschwayo vanaf de heuvel het gevecht gadesloeg, dat over het lot van zijn rijk zou beslissen.

Ondanks de kogels en granaten die nu werden afgevuurd, kwamen de Zoeloes in hun snelle en dansende stormpas naderbij. Maar hun gezang klonk niet meer over de vlakte; ze kwamen zwijgend aanstormen, men hoorde niets. Het was alsof er een leger donkere schaduwen oprukten. Pieter kon nu duidelijk zien hoezeer de regimenten waren uitgedund. Het vuur was veel sterker dan bij Gingilowo, geen dapperheid kon de zwarte krijgers helpen, die bovendien bergopwaarts moesten stormlopen; zij zonken allen neer. Eindelijk werden de verliezen zo ontzaglijk, dat de Zoeloes begonnen te aarzelen. Het leger dat de linkerflank bestormde maakte rechtsom keer, het centrum trok langzaam terug onder een voortdurende kogelregen. De gehele vlakte was bedekt met vluchtende troepen en de achtervolgende cavalerie deelde menige sabelhouw of lanssteek uit.

Het hoerageroep der overwinnaars dreunde over het slagveld.


Hoofdstuk 25: De gevangenneming van Cetschwayo


Pieter zag, hoe de vlammen zich in Ulundi uitbreidden, totdat de hele kring van hutten één brandende massa leek. De gehele horizon was door rook aan het oog onttrokken. Lord Chelmsford trok met het overwinnende leger naar het versterkte kamp terug. Reeds in de loop van de dag werd duidelijk hoe belangrijk de overwinning op de Zoeloes was geweest. Al de voornaamsten uit het Zoeloeland, die slechts door het geweld van Cetschwayo tot gehoorzaamheid gedwongen waren, kwamen de machtige overwinnaars hulde brengen. Cetschwayo's macht was gebroken.

Het Engelse leger, waar Pieter deel van uit maakte, zette samen met Humbati's zwarte troepen de achtervolging in. Humbati marcheerde vooraan, officieren en manschappen volgden hem. Het ravijn dat men doortrok, was zeer nauw en donker, slechts een dunne streep nachtelijk licht scheen door de toppen van de bomen. Aan het einde van het ravijn lagen een paar kolossale rotsblokken, die bijna geheel met gras en struiken waren begroeid. Humbati bleef staan en gaf enkele van zijn krijgers bevel de rotsblokken weg te rollen. Achter de rotsblokken bevond zich een reusachtige ruimte, Pieter zag dat ze met allerlei schitterende gouden voorwerpen gevuld was. Humbati had aan de blanken de schatkamer van de koning verraden. Op dit ogenblik echter, terwijl Humbati een der schitterende voorwerpen te voorschijn haalde, werd een luide, doordringende gil vernomen en in de volgende seconde vertoonde zich een hoge, zwarte gestalte, die op de nieuwsgierigen losstormde.

Pieter kon zijn ogen niet geloven, het was Prins Dabulamanzi, die met buks, speer en schild bewapend, kwam aanstormen. De Prins die door Pieter's degen dodelijk getroffen was en van wie hij de gouden hoofdband had afgenomen. Pieter zag dat hij alleen oog had voor de verrader Humbati. Hij sprong op hem toe en nu begon een woest tweegevecht, want Humbati dacht er niet aan te vluchten. Hij week geen voet achteruit.

Dabulamanzi stiet met zijn speer naar de borst van zijn tegenstander. Snel en behendig sloeg Humbati de speer met de hand opzij, zodat de punt langs de linker bovenarm uitweek. Daar stiet hij zelf toe, terwijl hij snel vooruitsprong. De prins pareerde de stoot met zijn schild, maar de speer doorboorde de ossenhuid en veroorzaakte een lichte schram aan zijn arm. Ze waren nu zo dicht bij elkaar gekomen dat ze de speren niet meer konden gebruiken. De worsteling werd met blote handen op de grond voortgezet. De strijdenden rolden over de grond en kwamen tussen de stenen terecht. Humbati sloeg met zijn hoofd tegen een steen en bleef bewusteloos liggen. In de volgende seconde had Dabulamanzi reeds zijn speer opgeraapt en met een gillende triomfkreet stiet hij de verrader de speer door de borst. De strijd had slechts weinige minuten geduurd, toen hij Humbati dood aan zijn voeten zag liggen verdween de Prins even snel als dat hij gekomen was.

Weken daarna werd koning Cetschwayo' schuilplaats verraden door één van zijn hofbedienden en werd Cetschwayo gevangen genomen door het Engelse leger dat hem naar Engeland bracht om veroordeeld te worden. Pieter was bij de gevangenneming aanwezig en zag hier de eens zo machtigen tiran voor het laatst.


Hoofdstuk 26: Van Pretoria naar Kimberley


Op een morgen in december trok Pieter met een groepje ruiters langs de weg, die, niet ver van de stad Pretoria loopt. Pieter was nu bijna volwassen, want sinds het einde van de Zoeloeoorlog waren reeds een jaar en twee maanden verlopen. Toen de ruiters bleven staan, bekeken ze zwijgend het langwerpige tentenkamp dat voor hen lag. "Kijk," sprak nu een van hen, "zie dat fort en die tenten! Is hun aanwezigheid geen voortdurende belediging en bedreiging voor onze republiek. De Engelsen luisteren niet naar onze voorstellen en drijven de spot met ons, we moeten geweld gebruiken tegen geweld; dan pas zullen ze naar ons willen luisteren." Een goedkeurend gemompel werd vernomen en een andere ruiter antwoordde: "De Engelsen worden met de dag brutaler en sinds ze de oorlog met de Zoeloes gewonnen hebben, beschouwen ze heel Zuid-Afrika als hun koloniaal gebied. Het ogenblik is aangebroken, dat we tonen moeten dat we vrije mannen zijn. Ze hebben nu nog maar weinig troepen hier liggen, we moeten ze nu ons land uit jagen."

De ruiters vervolgden hun weg en kwamen spoedig in een vallei, waarin een levendig en krijgshaftig gewoel heerste. Er bevond zich hier een kamp van opstandige Boeren. Tussen de wagens brandden een aantal vuren en overal stonden groepjes Boeren met elkaar te praten. Er waren in het kamp ongeveer 600 man. Allen droegen een breedgerande hoed en een donkere kiel met een leren gordel. Ze waren gekomen om te luisteren naar een toespraak van hun president.

"Vrienden," sprak nu de president. "Ik heb jullie hier laten komen om in geval van nood paraat te zijn. Jullie moeten in het geheim bij Pretoria gereed staan om onmiddellijk het Engelse garnizoen krachtig te kunnen aanvallen, wanneer onze laatste voorstellen worden afgewezen. Duizenden medeburgers zullen U volgen wanneer de oorlog met de Engelsen uitbreekt." De president riep deze woorden met luide stem en hoog opgeheven hand; een donderend hoera volgden en overal vlogen hoeden door de lucht. Nadat het gejuich was opgehouden en iedereen weer vertrokken was, sprak de president met Pieter.

"Pieter, maanden lang heb je het Transvaalse gebied doorkruist en de gemeenten op de beslissende stappen voorbereid, nu is de tijd gekomen dat je ook in de overige landen van Zuid-Afrika, met name in Oranje-Vrijstaat, onze mensen op de hoogte brengt. Ik wil graag dat je onze gedrukte pamfletten daar heen brengt en uitdeelt aan de Boeren. Zeg hun dat bij ons de gewapende afdelingen reeds geheel gereed zijn om er op los te gaan." Pieter aanvaarde de opdracht en vertrok de volgende dag van Pretoria naar de Oranje-Vrijstaat in het Zuiden.

Na ongeveer een uur gereden te hebben zag Pieter op de weg voor hem, het schitteren van wapens en herkende hij spoedig de Engelse uniformen. Hij reed kalm door en was aangenaam verrast toen hij Lord Fitzhetbert herkende, die hij in geen jaar gezien had. De Engelse officier keek echter niets vrolijk, toen hij Pieter zag, en op zijn bevel nam een soldaat onmiddellijk Jager bij de teugels. "Je bent mijn gevangene!" riep de Lord, "We hebben vernomen dat boodschappers onderweg zijn, die de bevolking te wapen roepen. Sinds gisteren is er een lijst met lieden die gezocht worden, en jouw naam staat bovenaan, Pieter."


Hoofdstuk 27: Van Kimberley naar Bloemfontein


Pieter werd gevangen gezet en meerdere malen door de Engelsen ondervraagd. Nabij de gevangenis was een goudmijn waar de Engelsen de Boeren slecht betaalde voor hun zware arbeid in de mijn. Tijdens een opstand van deze mijnwerkers werd de gevangenis overvallen en kwam Pieter onverwachts op vrije voeten. Na enige minuten had Pieter het vrije veld bereikt en vluchtte hij naar de Bloemfontein, de hoofdstad van Oranje-Vrijstaat.

Na twee dagen zag Pieter van ver de vlag van de Vrijstaat: oranje en witte strepen met de Hollandse driekleur in de hoek. Op straat heerste een vreemde opgewondenheid. Engeland had de eisen van de Boeren afgewezen, vernam Pieter. Zes dagen geleden, op 30 december, hadden de Boeren een gedeelte van het Engelse 94ste infanterieregiment overvallen. De Boeren hadden op grote afstand het vuur geopend en binnen zeer korte tijd lagen 120 soldaten, waaronder alle officieren, tegen de grond. De rest, ongeveer 250 man, hadden ze gevangen genomen. Dit gevecht was het sein geweest tot een algemene opstand, nu werden de garnizoenen van Pretoria en Potchefstroom in hun forten belegerd. "Ik ga naar de president van Oranje-Vrijstaat, om hem om een paard en wapens te vragen." zei Pieter hardop tegen zichzelf.

Diezelfde middag ging Pieter naar de woning van de president en vertelde hem over de opdracht die hij van President Kruger had gekregen, hoe hij door de Engelsen gevangen was genomen en dat hij zijn hulp nodig had om naar Transvaal terug te keren. "Zo, zo, zo!" antwoordde de president, terwijl hij Pieter scherp aankeek. "Het spijt me wel, Pieter, maar ik kan je niet helpen. De Oranje-Vrijstaat voert nog geen oorlog met Engeland. Hoe kun je veronderstellen, dat ik lieden uit Transvaal, van paarden en wapens zal voorzien, om de Boeren uit Oranje-Vrijstaat tot oorlog tegen Engeland aan te zetten." Pieter wist niet wat hij hoorde. "Mijnheer de president," zei hij, "ik heb altijd horen zeggen, dat de Oranjeboeren onze broeders zijn en ons zouden helpen. President Kruger heeft mij hier zelf naar toegestuurd, om de Boeren instructies te geven."

"Ik zal maar doen alsof ik dat niet gehoord heb." antwoordde de president lachend. Toen werd er op de deur geklopt en kwam de staatssecretaris van Transvaal de kamer binnenlopen. Pieter had de man al wel eens ontmoet en vertelde hem over zijn opdracht van president Kruger. De staatssecretaris vertelde dat hij gekomen was in opdracht van de Transvaalse regering om de Oranje-Vrijstaat te vragen hen te steunen in hun strijd tegen de Engelsen. "Ook de Oranje-Vrijstaat is door de Engelsen bezet," vervolgde hij, "de arbeid van de Boeren dient slechts tot voordeel tot Engeland. Overal zijn de Engelsen de baas en heffen ze hoge belastingen op de waren die ze doorlaten. Zonder handel en Industrie kunnen wij onszelf niet ontwikkelen. Wij vragen Oranje-Vrijstaat slechts een verklaring dat zij achter de Boeren uit Transvaal staat. Al nemen de Boeren uit Oranje-Vrijstaat de wapens niet op, wij vragen U slechts sympathie voor onze zaak, zodat Engeland zich zal terugtrekken. Engeland zal zich wel twee maal bedenken, voor tegen beide landen een oorlog te gaan voeren. Cetschwayo is door de Engelsen al uitgeschakeld, als wij ons nu niet verzetten, zijn wij de volgende die verdwijnen moeten." De president antwoordde nu: "Ik zal met de overige leden van de regering overleggen hoe we dit kunnen voorkomen."


Hoofdstuk 28: De verkenning


"President Brand zal voorlopig wel blijven aarzelen" zei de staatssecretaris tegen Pieter toen ze even later weer buiten stonden. "Hij is de zoon van een Engelsman en mengt zich liever niet in de oorlog met Engeland, we staan er alleen voor jonge vriend."

"We zullen de oorlog ook alleen winnen," antwoordde Pieter vol vertrouwen. Op de eerste dag van het jaar 1881 keerde Pieter terug naar Transvaal. Pieter zocht in Heidelberg de veldkorporaal Joubert op, Pieter zag dat veel Boeren zich hier verzameld en bewapend hadden, er was geen Engels uniform meer te ontdekken. "Hoera voor de Zuid-Afrikaanse republiek," schreeuwde Pieter toen hij de veldkorporaal zag staan. Joubert was blij Pieter weer te zien. Hij vertelde hem dat de Engelse generaal Colley met duizend soldaten naar hen op weg was gegaan om de Engelse forten te bevrijden die door de Boeren belegerd worden. Hij moet hiervoor door het Drakensgebergte, hier zullen we hem opwachten en aanvallen.

"Pieter, jij kent de Engelsen goed. Je moet morgenochtend met een twaalftal flinke ruiters afrijden en de Engelsman opzoeken," sprak Joubert. Pieter had de Drakensbergen meerdere malen doorkruist, dit was immers het gebergte waar Titus de Afrikaan verbleef. De twaalf reden de eerste dag tot aan de Vaalrivier, hier sloegen zij hun kamp op om te overnachten. Ze waren nu reeds in vijandelijk gebied zodat enige voorzichtigheid geboden was. "We zullen naar Newcastle rijden," sprak Pieter de volgende ochtend vroeg. 'Het is nu nog donker, de nevel komt ons goed van pas. Na een flinke rit, over moeilijk begaanbare bergpaden, konden ze Newcastle zien liggen. Pieter zag dadelijk dat er een sterke troepenmacht bijeen was, naast de stad stonden een groot aantal militaire tenten. Hoeveel troepen daar bijeen waren en of generaal Colley daar zelf ook was, kon Pieter vanwaar hij stond niet waarnemen. Toch hoopte hij er achter te komen. Pieter besloot te wachten tot het donker zou zijn om dan het kamp van dichterbij te gaan bekijken.

Pieter had opgemerkt, dat er een voorpost van het Engelse leger in een huis zat, even buiten de stad. De Engelsen waren zo zeker van hun zaak dat er slechts één wachtpost bij de deur stond. Het was inmiddels bijna middennacht geworden en geheel Newcastle lag in een diepe rust, alleen het wachtposthuisje was nog helder verlicht. Na een ogenblik te hebben laten voorbij gaan, sloop Pieter, vergezeld door één van zijn mannen, met een kleine omweg op de schildwacht af. Hij kon hem nu duidelijk zien en bemerkte dat de schildwacht iets in de gaten kreeg. "Werda?" klonk het plotseling. "Ronde!" antwoordde Pieter in de Engelse taal en op gebiedende toon terwijl hij op de wacht afliep. "Ken je je eigen officieren niet?" vroeg Pieter nu. De man scheen een ogenblik bedremmeld, maar reeds de volgende seconde moest hij ontdekt hebben, dat er geen officier in uniform aankwam, want hij maakte zijn geweer gereed en riep: "Sta, of ik schiet."

Hij had echter geen rekening gehouden met de lenigheid van de jonge Boer. Met een vervaarlijke sprong was Pieter bij hem en had hij de schildwacht bij de keel gegrepen. De man kromde zich onder de sterke hand, die zijn keel hield omklemd en kon geen geluid meer maken. Pieter drukte de schildwacht geruisloos tegen de grond, en zei zacht tegen hem: "Je gaat met ons mee, vriend. Als je stil blijft zal ik je keel loslaten. Maar indien je om hulp roept, ben je op hetzelfde ogenblik dood." Pieter sneed de soldaat de broekdraagbanden door zodat deze tijdens het lopen, om niet te vallen, de broek moest ophouden. De Boeren stegen te paard en namen hun gevangene mee naar het leger van de Boeren. Generaal Joubert lachte van blijdschap, toen hij de volgende middag Pieter met zijn gevangene zag aankomen.


Hoofdstuk 29: Het gevecht bij Langes Neck


De legerplaats die Generaal Joubert had uitgekozen lag in een dal en werd omringd door een driedubbele rij ossenwagens. Vanuit het kamp kon je de straatweg overzien die, langs de Majubaberg, naar Newcastle voer. Deze doorgang droeg de naam 'Langes Neck'. In 1859 werd hier door de Engelsen een Boer opgehangen, Hans von Lange genaamd. Hij had een moord begaan en sindsdien was de pas vernoemd naar Lange's nek. Op de omringende bergtoppen hadden de Boeren wachtposten uitgezet die, wanneer de Engelsen verder zouden trekken, alarm konden slaan. Jouberts leger bestond op dit moment uit 5000 strijdvaardige sterke Boeren. De Boeren hadden Engelse kranten in handen gekregen waarin stond dat er Engelse versterkingen onderweg waren.

Intussen kwam van een der wachtposten het bericht dat de Engelsen aanstalten maakte om te vertrekken. De Engelse generaal Colley marcheerde met zijn troepen langs de staatweg in de richting van 'Langes Neck'. De Boerenpatrouilles waren langzaam teruggetrokken, zonder de Engelsen uit het oog te verliezen.

Daar naderden enige ruiters in rode uniformen, dragonders van het regiment, waarbij Lord Fitzherbert diende. Na deze dragonders volgden een lange infanteriecolonne, in vier gelederen. Hierna volgden honderd matrozen met een Gatlingkanon, twee vuurpijlkanonnen en een groot aantal wagens met bagage. Na deze stoet kwam er weer infanterie, vier lichte bergkanonnen, twee veldstukken en uiteindelijk nog de ruiterij. In totaal waren er 870 man infanterie en 170 ruiters.

De Boeren konden vanaf de berghellingen alles zo duidelijk zien dat ze de hoofden konden tellen. Generaal Joubert streek zich langs zijn baard, toen hij vernam dat de Engelsen in aantocht waren. Onmiddellijk liet Joubert de Boeren de hellingen aan weerskanten van de weg bezetten en geschikte plaatsen zoeken, vanwaar zij met hun buksen de vijand de doortocht konden beletten. Pieter had zich dicht bij Joubert neergelegd en wachtte in grote spanning de komst van de Engelsen af. De vijand waar hij nu tegen zou gaan vechten was niet van het zwarte ras, ze waren ook geen vreemden voor hem. Het waren de troepen waarbij hijzelf, als spion voor de Boeren, gediend had. Hij moest denken aan zijn Engelse vriend Adolphus Fritsherbert, die hem gevangen had genomen omdat zijn dienst dat van hem eiste. Hij dacht aan de Engelse gevangenis te Kimberley, aan zijn stervende vader maar ook aan zijn vaderland dat in nood verkeerde en voor zijn vrijheid streed.

De vijand verscheen, op de kromming van de straatweg vertoonde zich twee ruiters, die op korte afstand door een derde gevolgd werd.

"Pieter," sprak Joubert, "zie je de Engelsen?" "Jawel, generaal." antwoordde Pieter.

"Neem, jij de rechter, dan zal ik de linker ruiter nemen. Richt goed, zodat ze niet te lang lijden." Tegelijk met dat laatste woord knalde het eerste schot uit de buks van de generaal en op hetzelfde ogenblik stortte de dragonder, die hij had uitgekozen, van zijn paard op de grond. Nu drukte ook Pieter af en de tweede dragonder waggelde een ogenblik in het zadel en stortte ter aarde. Geschrokken wendde de derde ruiter zijn paard en wilde vluchten; daar hoorde Pieter een schot rechts van hem en ook de derde dragonder gleed van zijn paard en op de straatweg was niets meer te zien dan drie onbeweeglijk rode vlekken, terwijl drie losse paarden naar verschillende zijden heen galoppeerden. Spoedig hierna hoorde men signalen op de trom en hoorn.

Generaal Colley had zijn hoofdmacht laten oprukken en beval tot de aanval over te gaan. Na enige ogenblikken verschenen de eerste rode uniformen op de weg. Ze klauterden tegen de hellingen van de pas en zochten een doel. Maar ze zagen niets. De Boeren lagen overal achter goede dekking. De rode uniformen werden hoe lager hoe talrijker. Opnieuw kraakten er enkele schoten. De officier, die de kleine afdeling aanvoerde, bleef staan, de sabel viel uit zijn hand en de man stortte voorover op de grond. Na hem vielen de onderofficier en vervolgens nog twee soldaten. De soldaten raakte in verwarring nu hun aanvoerders gesneuveld waren. Ongeveer honderd man infanterie verscheen hierop in de looppas. Zij verspreidden zich langs de beide kanten van de weg en zochten dekking achter struiken, bomen en stenen. De infanterie overstelpte de Boeren met geweervuur. Pieter hoorde menig kogel voorbij vliegen.

Het was voor de Engelsen echter onbegonnen werk. Schot na schot klonk nu uit het gebergte en onder de Engelsen begon grote verwarring te heersen, want er bleef geen enkel officier meer over om hen aan te voeren. Toch hielden de Engelsen nog stand. De dappere kanonniers bedienden hun stukken ook zonder commando's en zij mikten goed, want toen het eerste kanon met zijn krachtige stem de echo's van de Drakensbergen opriep, vloog ook reeds een granaat suizend over Pieters hoofd en drong diep in de bergwand. Daarna volgden nog een kanonschot en nog een derde; maar verder kwam de artillerie niet. De man die het vierde stuk wilde afvuren, werd op het ogenblik, dat hij het aftrektouw in de handen nam, door een kogel getroffen en stortte naast het kanon neer. Hierna lukte het geen Engelsman meer om het kanon te laden en af te vuren. Wanneer iemand met een granaat in de buurt van het kanon kwam, werd hij door de Boeren neergeschoten. De één na de ander liet het leven. Geen Boer liet zich tijdens dit gevecht zien, slechts de rookwolkjes van de geweren waren zichtbaar.

Deze ongelijke strijd duurde niet lang. De overgebleven soldaten sloegen op de vlucht en waren spoedig achter de kromming van de straatweg verdwenen. Hoe dapper en taai de Engelsen ook waren, dit langzame vuren, waarbij geen schot bleek te missen, vervulde hen met ontzetting. Ze wilden niet langer het doel zijn van een onzichtbare vijand, die op zo'n grote afstand zo precies schoot. Nauwelijks twintig minuten had de strijd geduurd. Generaal Colley had deze dag genoeg van de vijand gezien om geen verdere aanval te wagen. Diezelfde avond nog trok hij terug, ruim 170 rode uniformen achterlatend.


Hoofdstuk 30: Het gevecht bij Schains Hoogte


In het oosten, op geweerschotafstand van het Engelse kamp, stond een groepje Boeren. Het waren Pieter, zijn oom Klaas Buurman en baas Van der Goot. Het was nog vroeg in de morgen, enige dagen nadat de Engelsen de aanval op Langes Neck hadden opgegeven.

Er hing een zware nevel over de Drakensbergen, maar zo nu en dan was het vijandelijke kamp duidelijk te zien. "De Engelsman heeft daar geen slechte plaats uitgekozen," merkte baas Van der Goot op. Terwijl ze het kamp nog eens nader bekeken, hoorde men in de verte een buksschot, dat spoedig door meerdere gevolgd werd. Na ongeveer een half uur kwamen twee Boeren naderbij. Ze vertelden dat ze een boodschapper van de Engelsen hadden overvallen en hem een brief hadden afgepakt.

Baas Van der Goot opende de brief en reikte hem aan Pieter over. "Vertel me eens wat daar in staat; jij kent de taal van de Engelsen. Pieter las de brief en vertaalde hem in het Afrikaans. Er waren Engelse versterkingen onderweg, het 2e bataljon van het 60e regiment, het 82ste, 92ste, het 97ste regiment en een batterij veldartillerie gevolgd door de bereden infanterie. "Wel, wel," zie baas Van der Goot, "mevrouw de koningin heeft veel soldaten gezonden! Ga, mijn jongen, breng deze brief naar ons kamp en geef hem aan baas Joubert. Hij zal het beste weten, wat hij er mee moet doen.

Generaal Joubert besloot, na het lezen van de brief, de versterkingen tegemoet te rijden en ze aan twee kanten in te sluiten, zodat ze vóór noch achteruit zouden kunnen. De volgende morgen zond de generaal verschillende patrouilles op verkenning uit. Pieter reed samen met 20 jonge Boeren met baas Van der Goot mee. De Boeren reden op grote afstand van elkaar in een linie, zodat ze een groot gebied konden verkennen. Pieter bevond zich op de uiterste rechtervleugel en was juist een riviertje en het ravijn doorgetrokken, toen hij paardengetrappel vernam op de straatweg. Pieter dreef Jager vooruit, dichter naar de weg toe. Daar zag hij een groepje van 40 Engelse dragonders over de straatweg rijden, precies in de richting vanwaar de andere patrouilleleden vandaan moesten komen. Onwillekeurig gaf Pieter Jager de sporen en schreeuwde een luide waarschuwingskreet uit, tegelijkertijd hoorde hij de Engelse aanvoerder schreeuwen; "Slaat ze neer, die Boeren! Attakeren!"

Het was Lord Fitzhetbert die met hoog opgeheven sabel kwam aanstormen. De ontmoeting met de vijandelijke ruiterafdeling was zo plotseling en onverwachts geweest, dat reeds in dezelfde minuut, waarin ze elkaar zagen, de strijd in volle gang was. Instinctmatig maakten de Boeren nog aanstalten om af te stijgen en te vuren, maar de dragonders waren te dicht bij en kwamen zo woest aanrijden, dat de Boeren hun gewone vechtwijze niet in toepassing konden brengen. Twee Boeren vuurden nog en twee dragonders stortten van hun paarden, maar dit waren de enige schoten die gelost werden. In het volgende ogenblik vormden de rode Engelse uniformen een woest door elkaar rijdende massa. De meeste Boeren sloegen verrast op de vlucht, een handje vol probeerden met de buks de sabelslagen af te weren en sloegen er met de kolven op los. Een aantal Boeren was inmiddels zwaar gewond en al vechtende reden beide partijen langzamerhand het water in.

Baas Van der Goot was in gevecht geraakt met een der dragonders en gebruikte zijn buks als knots. Woedend sloeg hij met de zware kolf om zich heen. De oude Van der Goot begreep dat hij met zijn wapen in het nadeel was. Hij gooide zijn buks van zich af en greep de Engelsman vast aan zijn uniform. Behendig sprong hij nu uit het zadel, zodat hij tot aan zijn knieën in de rivier stond en sleurde de Engelsman van zijn paard het water in. Even leek het alsof de jonge Engelsman de Boer te sterk was, niemand waagde het zich in de strijd te mengen. De taaie volharding van de oude Boer behaalde echter de overwinning op de minder geharde spieren en zenuwen van de Engelsman. Met een krachtige ruk maakte baas Van der Goot zijn linkerhand vrij en trok zijn brede jachtmes. Met een woeste kreet liet de Engelsman los, breidde de armen uit en stortte voorover in het water, waarin hij weldra verdween. Reeds zette baas Van der Goot zijn voet in de stijgbeugel, toen ook hem het noodlot achterhaalde.

Lord Fitzherbert had de tweestrijd aanschouwd, terwijl hij op de linkeroever zijn paard inhield, evenals Pieter op de rechter. Toen de Engelsman in het water verdween, reed Fitzherbert snel op baas Van der Goot toe. Op hetzelfde ogenblik kwam ook Pieter weer in het riviertje terecht en reed de Lord tegemoet. Maar Lord Fitzherbert had reeds de plaats bereikt, waar de oude Boer weer wilde opstijgen. Met volle kracht trof het sabel het ontblote hoofd van Baas Van der Goot en zonder een kreet te geven, stortte hij ruggelings in de vloed.

Op datzelfde ogenblik bereikte Pieter de Engelse officier. "Hierheen, Adolphus!" riep hij, "ik zal de kling, die je me eens geschonken hebt, op jezelf beproeven!' "Voor Hare Majesteit de koningin!" riep Lord Fitzherbert en deed een eerste houw naar Pieters hoofd. "Voor de Zuid-Afrikaanse republiek!' antwoordde Pieter, terwijl hij de slag pareerde en onmiddellijk nahieuw. De Lord was een ervaren schermer. Sinds zijn jeugd had hij zich in allerlei spelen geoefend. Hij wist ook met wie hij te doen had en was daarom op zijn hoede, om zich niet bloot te geven. Hoe goed hij ook vocht, hoe juist zijn houwen ook waren berekend, de Spaanse kling van Pieter schitterde hem telkens voor de ogen. Woest drong Fitzherbert zijn paard naar voren, deed een schijnslag naar de borst van zijn tegenstander en liet die snel door een geweldige houw naar diens hoofd volgen. Pieter weerde de slag met moeite af, de punt van het sabel drong hem door zijn hoed. Reeds wilde Pieter van het ogenblik gebruik maken, nu de Lord zich blootgaf, om toe te stoten, maar het gevoel van de oude vriendschap hield zijn arm terug. Hij kon het bloed van zijn trouwe kameraad uit de Zoeloeoorlog niet vergieten. Vóór de jonge officier er op bedacht was, had Pieter zijn paard Jager vlak tegen het zijne aangedrongen en voelde de Lord twee armen, die hem met onweerstaanbare kracht beet pakten. Met een krachtige ruk hief Pieter de officier in de hoogte, en trok hem uit het zadel op Jagers rug. Lord Fitzherbert was zo onthutst, dat hij geen woord kon uitbrengen. Alleen met de knieën dreef Pieter Jager nu vooruit terwijl hij zijn gevangene met de linkerhand op het zadel drukte. Pieter bracht de gevangen Lord naar de door de Boeren bezette stelling, waar hij zich opmaakte om de vijand opnieuw tegemoet te gaan.

De Boeren hoefden niet ver te rijden om de Engelsen te zien aankomen. Generaal Colley trok met zijn leger over de brug, maar moest na een hevige strijd zijn leger doen terugtrekken. Pieter bleef de gehele nacht te paard en keek toe hoe de laatste Engelse soldaat zich naar het Engelse kamp begaf. Hierna reed hij naar Langes Neck terug, waar het leger der Boeren zich om de ossenwagens verenigd had.


Hoofdstuk 31: In het vijandelijke kamp


Op Jager gezeten, sloeg Pieter Marits het Engelse kamp gade en staarde peinzend naar de Britse vlag, die nog steeds in top hing. Sedert het gevecht bij Schains Hoogte hadden slechts enkele posten van de Boeren het Engelse leger in het oog gehouden. Slechts de jonge lieden bemanden deze posten, de oudere Boeren bleven kalm bij hun wagens. Pieter dacht over de stand van zaken na, waarom vielen de Boeren het Engelse kamp niet aan? Generaal Colley beschikte over nauwelijks 600 man; van zijn officieren waren minsten twee derde dood en de soldaten moesten wel teneergeslagen en moedeloos zijn. Pieter kende zijn landslieden echter goed. Die zware sterke Boeren waren niet tuk op krijgshaftige ondernemingen. Ook Joubert wist dat hij rekening moest houden met de aard van zijn landgenoten. Dit alles ging Pieter door de gedachten; ook peinsde hij over de versterkingen, die uit het Zuiden moesten komen om de verliezen aan te vullen. Er gingen geruchten dat er 12000 man onderweg was.

De Boerenposten stonden onbeweeglijk op hun plaatsen, het was een prachtige nacht met helder fonkelende sterren aan de hemel. Zonder door de Engelsen te worden opgemerkt, naderde Pieter zo dicht mogelijk het vijandelijke kamp, dat aan alle zijden werd bewaakt. Pieter wilde proberen het vijandelijke kamp binnen te dringen, om uit te zoeken wat er plaatsvond en welke plannen sir Colley bezig hielden. Pieter had hiervoor een Engels uniform aangetrokken, zodat hij minder op zou vallen. Toen de aflossing van de wacht eindelijk kwam, sloot hij zich bij deze aan en liep in het donker mee het kamp in.

De troepen die sedert vier weken hier gekampeerd hadden, schenen zeer vermoeid en teneergeslagen te zijn. Voor het grootste gedeelte lagen zij te slapen. Toch viel het Pieter op dat er enige spanning in het kamp waarneembaar was, alsof men iets verwachtte. Op dit ogenblik zag Pieter enkele officieren en een man, gekleed als een Boer, uit het hotel komen. Ze waren druk in gesprek en gingen naar de Oostzijde van het kamp. Toen ze langs het wachtvuur liepen herkende hij de Engelse generaal Colley. Pieter stond op en wandelde met een grote omweg naar de plek, waar de generaal stond. Daar waren de Schotten geinstalleerd, met een korte groet nam hij bij een der vuren plaats, in de onmiddellijke nabijheid van de generaal.

"Het is koel vannacht," zei Pieter, als kwam hij om zich te warmen. Een der soldaten antwoordde en de mannen maakten plaats voor hem, maar Pieter hoorde nauwelijks hetgeen gesproken werd, hij had alleen maar oor voor het onderhoud, dat generaal Colley met de Boer had. "Het is vannacht juist donker genoeg om de weg te vinden," zei de generaal. "Ben je er zeker van ons in twee uur te kunnen brengen, waar wij wezen moeten, zonder dat de Boeren lont ruiken?"

"Jawel, mijnheer de generaal," antwoordde de Boer in goed Engels. "De wachtposten staan in een halve cirkel, ginds," - hij maakte een beweging met zijn arm, maar in het Zuiden staan geen posten en wanneer we een omweg maken, komen we er zonder gezien te worden.

"Wat een schurk, om zijn landgenoten te verraden," dacht Pieter. "Zeker behoort hij niet tot de onzen, hij zal Engels bloed in de aderen hebben en in Natal thuishoren. "Het bestijgen van de Majubaberg zal niet gemakkelijk gaan," zie de generaal. "Zeker," antwoordde de Boer, "de berg is zeer steil, maar wanneer we eenmaal boven zijn, hebben we een prachtige plaats voor een stelling. De manschappen vinden er goede dekking, want langs de gehele rand liggen grote rotsblokken. Geen Boer kan zich op de helling vertonen, of hij wordt er met de kalmste zekerheid op de korrel genomen.

De bezetting van de Majabuberg zal de beslissing brengen in deze oorlog. Binnen vier dagen zullen de versterkingen van generaal Wood hier zijn en zullen wij doormidden van de heliograaf ons met hem in verbinding stellen. Behouden wij tot zolang de stelling op de berg, vanwaar we het hele Boerenleger kunnen overzien, dan is de oorlog beslist.

Na deze woorden ging de generaal terug naar het hotel. Pieter keek hem na en peinsde over hetgeen hij gehoord had. Naast Pieter zat een man met een grijze baard, die de generaal met een zonderlinge blik na staarde. "Het is een dwaas plan," sprak de oude Schot nu tegen Pieter. "Ik heb onze generaal gadegeslagen, toen het schijnsel van het vuur op zijn gezicht viel. Hij is getekend en uitgeput, morgenavond leeft onze generaal niet meer."


Hoofdstuk 32: De bestorming van de Majubaberg


Nadat de officieren zich verwijderd hadden, stond Pieter op en liep terug naar de plaats waar de cavalerie lag te slapen. Hij besloot over de borstwering te klimmen en dan terug naar het Boerenkamp te sluipen. Terwijl Pieter naar een donker hoekje van het kamp sloop, werd het plotseling levendig in het kamp. Generaal Colley had bevolen, dat de troepen zich gereed moesten maken om op te breken. Een onderofficier riep Pieter en beval hem mee te gaan. Nu kon hij niet meer vluchten, overal sprongen de slapers overeind, overal werden de geweren genomen, de paarden gezadeld en patronen en levensmiddelen rondgedeeld. Pieter nam zijn plaats in en wachtte de dingen af, die komen zouden.

De mars werd in Zuidelijke richting aangevangen, teneinde via een omweg de Majubaberg te bereiken. Zolang het duister bleef, was er geen gevaar dat Pieter ontdekt zou worden; voordat de zon opging moest hij echter weg zijn, anders zouden ze hem zeker opmerken en als spion laten doodschieten.

Uiteindelijk werd de hoge berg bereikt. Generaal Colley liet de gehele colonne opmarcheren totdat de helling zo steil werd, dat voor de paarden van de cavalerie de verdere mars onmogelijk was geworden. De generaal liet 400 man met 20 officieren de berg beklimmen, de rest zou samen met de kanonnen, als reserve achterblijven.

Terwijl de helling langzamerhand geheel bedekt was met klauterende mannen, merkte Pieter, dat de zon op het punt stond door te breken. Het ogenblik om te vluchten was thans aangebroken. Langzaam en telkens stilstaande om de berg te bekijken, ging Pieter, schijnbaar onwillekeurig, naar de rechterkant en toen hij de laatste roodjas voorbij was zette hij het op een lopen. Wel schenen sommigen hem na te kijken en hoorde hij vragen, waar de kameraad heenging, maar hij werd nog teruggeroepen, nog vervolgd.

De eerste zonnestralen hadden ook het Boerenkamp bereikt; enkele Boeren liepen reeds rond, verder heerste er rust en vrede in het kamp en geen van de slapende Boeren had enig vermoeden van hetgeen de Engelsen in diezelfde nacht hadden voorbereid. Tussen de wijd uiteenslaande wagens zag men een aantal tenten en afdaken, gemaakt van de huiven van de huifwagens en branden er enigen vuren in de nabijheid van deze kampementen.

"Dus de Engelsen zijn op de Majuba!" riep Joubert uit en richtte zijn kijker op de platte kruin van de berg, welke reusachtige vormen in het volle zonlicht afstaken bij de overige lagere toppen van de Drakensbergen. "Dat heeft generaal Colley knap gedaan, maar ik vermoed, dat hij sneller weer beneden zal zijn dan dat hij boven is gekomen.' Joubert riep zijn krijgsraad bijeen en drukte Pieter de hand; "Ga wat uitrusten, Pieter, we hebben de tijd. Die daarginds lopen heus niet weg.'

Pieter ging naar de wagen, waarin hij met lord Fitzherbert huisde. De lord ontwaakte bij zijn komst en wreef zich de ogen uit. "Vandaag zal je getuige zijn, dat de Boeren ook kunnen aanvallen." Toen Pieter de Engelsman vertelde hoe alles in zijn werk was gegaan, kon deze bijna niet spreken van verbazing. Met een gezicht waarop grote bezorgdheid te lezen stond, beschouwde hij de hoge berg, maar wierp ook een bewonderende blik op zijn onverschrokken vriend. "Pieter," zei hij, "de Boeren zijn onversaagde krijgslieden; ik zie het, Engelands ster gaat onder."

Steil en dreigend lag de hoge top voor hen, tweeduizend voet hoger lagen de Engelsen. Er knalden reeds enkele schoten en de kogels vlogen over de hoofden der Boeren heen. Pieter was, evenals zijn kameraden, slechts met buks en jachtmes bewapend. Evenals de jagers, die een schuw stuk wild besluipen, gingen de Boeren voorwaarts en menigeen van hen had honderden malen het wild in de vlucht of bij de sprong neergelegd. De Engelsen hadden zich een gevaarlijke tegenstander op de hals gehaald. De Boeren klauterden als gemzen van blok tot blok tegen de helling op en naderden hoe langer hoe meer hun doel. Hun aanval was niet af te slaan. Duizenden kogels werden op hen afgevuurd, uren waren ze al in de weer, toch hadden de Boeren nog geen man verloren.

Achter een struik verborgen brachten Pieter en zijn vijf makkers de buks in de aanslag, er knalden zes schoten en zes mannen stortten neer. Een panische schrik greep de overgebleven soldaten aan. Ze sprongen op en woedend stormden een twintigtal Engelsen naar beneden. Met een luid hoera snelden de dappere marinesoldaten vooruit, maar ze kwamen niet ver. Nauwelijks hadden ze een honderdtal passen afgelegd, of de helft van hen lag tegen de grond. Slechts enkelen wisten terug te keren naar hun stelling.

Met gloeiende, door stof en kruitdamp zwart geworden gezichten stormden de Boeren nu voorwaarts. Geweerschoten knalden om hen heen en huiden de steile stelling in een nevel van kruitdamp. Het vuren van de vijand had bijna opgehouden, over de dode lichamen stormden ze naar boven en bereikten ze de kruin van de berg. Ze zagen nu de uitwerking van hun buksen. Overal lagen dode en gewonde soldaten. Velen lagen achter de borstwering geknield, alsof ze nog leefden, het geweer nog in de hand, de helm op het hoofd. Ze waren echter morsdood. Pieter vond ook de oude Schot, die de dood van generaal Colley voorspeld had. Hij lag met het geweer in de aanslag en leek meer op een levende dan op een dode. Bijna allen, die hier lagen, waren in het hoofd getroffen en onmiddellijk dood geweest, slechts enkele hadden lichtere wonden.

De Boeren hadden thans een lange linie gevormd en vuurden op alles wat een uniform droeg. Een ogenblik zag Pieter generaal Colley. Hij stond te midden van een groep soldaten, de revolver in de rechterhand, de linkerhand hoog in de lucht. Het volgende ogenblik zonken zijn armen slap langs zijn lichaam; hij stortte neer en om hen heen vielen de soldaten alsof ze werden weggemaaid door een onzichtbare hand. De Majuba was het toneel geworden van dood en verwoesting. Overal doden, overal gewonden, overal steunen en zuchten. Officieren en soldaten lagen dood om hun gesneuvelden generaal heen. De vijand was verslagen, slechts één dode en zes gewonden telden de Boeren aan hun zijde. "Welk een overwinning!" riep de jonge Boer. "Welk een overwinning!"


Slot


Generaal Wood kwam en bracht geen nieuwe strijd, hij bracht de vrede. Engeland was wakker geschut; de dapperheid van de Boeren, de nederlagen in de Drakensbergen, de ongehoorde verliezen tegenover zulke kleine groepen verdedigers van Transvaal hadden de regering van het wereldrijk met ontzetting vervuld. Engeland trok zijn troepen terug en erkende de regering van Transvaal.

Pieter wierp zich op Jagers rug, ontrolde de Transvaalse driekleur en zwaaide er met krachtige vuist hoog mee door de lucht. "Leve Transvaal! Leve de Zuid-Afrikaanse republiek!"

President Brand herkende de jongeling met de vlag en lachte. 'Deze jonge man is een onzer beste strijders," zei generaal Joubert. 'Pieter Marits heeft een flinke stem. Zo luid als hij thans de zege verkondigt, zo luid was ook zijn aanvalskreet op de Majubaberg. Wij hebben hem veel te danken."

Pieter sprong van zijn paard en reikte de vlag over aan een der Boeren. Hij liep op Lord Fitzherbert toe en legde beide handen op diens schouders. "Wees niet boos, Adolphus," sprak hij, "laat mij op deze blijde dag je vriendschap niet ontberen." De lord wilde zich losmaken, maar was toch geroerd door het verzoek van zijn vriend. Plotseling bleef hij echter stokstijf staan en zag met verbaasde ogen recht voor zich uit. Door het gewoel van mannen, paarden en wagens baande zich de oude zendeling een weg. De menigte maakte plaats voor deze eerwaardige verschijning en de zendeling trad op de beide jonge lieden toe.

"Ik zie U arm in arm, niettegenstaande strijd en bloed," sprak hij op de hem eigen, vriendelijke toon, " en ik vertrouw, dat een vriendschap die zelfs een oorlog heeft overleefd, een goed voorteken zal zijn voor een duurzame vrede. Hij zal alle volken, die Afrika's bodem met hun bloed hebben gekleurd, met elkander verzoenen en onder het licht van het Christendom zal dit land een vruchtbaar veld worden voor de zaden van het woord Gods."


INHOUD

1 In het moordhol van Makapanspoort
2 De Gezanten van de koning der Zoeloes
3 Op reis
4 Heimelijke vlucht
5 Het zendingsstation Botschabelo
6 Lord Adolphus Fitzherbert
7 Titus de Afrikaan
8 Onder de rovers
9 Morimo
10 De bekering
11 De reis naar het Zoeloeland
12 Cetschwayo, de koning der Zoeloes
13 Koningklijke manoeuvres en jachten
14 Mainze-Kanze (Laat de vijand komen)
15 De regenmaker
16 Het afscheid van het land der Zoeloes
17 Utrecht
18 De slag van Isandula
19 Te Pretoria
20 Te Pretoria
21 Thuis en in Engelse dienst
22 De slag bij Gingilowo
23 Voorbereidingen
24 De slag bij Ulundi
25 De gevangenneming van Cetschwayo
26 Van Pretoria naar Kimberley
27 Van Kimberley naar Bloemfontein
28 De verkenning
29 Het gevecht bij Langes Neck
30 Het gevecht bij Schains Hoogte
31 In het vijandelijke kamp
32 De bestorming van de Majubaberg

Terug naar boven

Terug naar menu